Posts tonen met het label Conny van Hees. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Conny van Hees. Alle posts tonen

vrijdag 16 oktober 2015

Koning en Koningin van Sint Hubert

Het St BarbaraGilde uit Sint Hubert. Viering van het 300-jarig bestaan
Pats! Met een perfect schot heeft Tiny Verberk, de man van Anna-Marie Verberk, de vogel neergehaald. In het 300ste jubileumjaar van het St BarbaraGilde te Sint Hubert is Tiny de Koning geworden en Anna-Marie vanzelfsprekend zijn Koningin. Conny van Hees heeft Anna-Marie, vrijwilligster bij het BHIC in Grave, geïnterviewd over haar passie bij het gilde.

Het St BarbaraGilde te Sint Hubert bestaat al sinds 1715, vertelt Anna-Marie. Zij is de allereerste vrouw die lid werd van het gilde. Op dit moment bestaat de club uit 17 leden, van wie vijf vrouwen. Zodra het toegestaan was voor vrouwen om lid te worden, meldde Anna-Marie zich aan. Haar man was al secretaris en zij hielp hem met diverse taken, zoals het bijhouden van het archief.

Eeuwenoud Koningsboek
Een belangrijk stuk uit dit archief is het Koningsboek, dat tot voor kort bij iemand thuis was opgeborgen. Door toedoen van Anna-Marie is het boek overgedragen aan het BHIC in Grave, waar het in optimale condities wordt bewaard.
Tiny en Anna-Marie Verberk als Koning en Koningin van het St BarbaraGilde
Eenmaal per jaar wordt het Koningsboek uitgeleend aan het gilde en mag de nieuwe Koning zijn naam en het jaartal erin schrijven. Dit jaar viel deze eer toe aan Tiny Verberk. Zo blijven de namen van alle koningen voor het nageslacht bewaard, al vanaf 1715!

Koningschieten en gildekostuums
Maar hoe word je dan zo'n Koning van het gilde? Dit kan alleen door te winnen bij het jaarlijks terugkerende Koningschieten. Je neemt een geweer, vlakboog of kruisboog ter hand en je schiet op een houten klos, die ook wel 'vogel' wordt genoemd. Degene die het laatste stukje eraf schiet, wordt de Koning.

Overblijfselen van de vogel na het schot van Tiny Verberk
Natuurlijk past bij een vereniging zoals het gilde ook een prachtig kostuum. In 1996 zijn voor de mannen nieuwe uniformen aangeschaft. Helaas voor Anna-Marie, die toentertijd de enige vrouw was binnen het gilde, waren er toen nog geen gildekostuums voor vrouwen.

Anna-Marie (rechts) in het gildekostuum
Uiteindelijk is voor de actieve vrouwelijke leden een gildetenue bedacht. De kostuums zijn gemaakt in België en bestaan uit een zwarte rok, witte blouse. zwarte cape en een rood hoedje. Heel mooi natuurlijk, maar Anna-Marie is vooral zo enthousiast over het gilde vanwege de saamhorigheid. 'Het gilde is echt een broederschap,' vertelt de Koningin van Sint Hubert apetrots.

Geschreven door:
Conny van Hees en Lisette Kuijper

Vind je dit leuk? Lees dan ook:
- De papegaai van Nuland
Op oorlogspad naar Rusland!

De beste verhalen via e-mail ontvangen?



woensdag 26 augustus 2015

De molenaar van Oeffelt


Molen De Vooruitgang te Oeffelt na de verbouwing in 1987
Theo van Bergen, één van onze vaste vrijwilligers in Grave, is sinds 1980 ook vrijwillig molenaar op molen 'De Vooruitgang' te Oeffelt. Deze molen doet zijn naam wel eer aan dankzij het vooruitstrevende werk van Theo. Conny van Hees heeft hem geïnterviewd over zijn bijzondere bijdrage aan dit prachtige bouwwerk.

Theo is in 1977 begonnen aan de cursus vrijwillig molenaar in Cuijk. Drie jaar later slaagde hij voor deze cursus en is hij begonnen met zijn vrijwilligerswerk in Oeffelt op elke zaterdag naast zijn werk bij Stork in Boxmeer. Samen met de instructeur is hij naar het College van B&W gegaan om de wederopbouw van de Oeffeltse molen te bespreken.

De Vooruitgang
Al direct vanaf het begin (in 1913) droeg de molen de naam 'De Vooruitgang.' De daadwerkelijke restauratie begon in 1986 en de eerste fase was een jaar later afgerond. De molen werd geheel maalvaardig in 1993 in gebruik genomen, want er was een compleet binnenwerk aangebracht.

De Molenstraat in Oeffelt
In die tijd kwam er nog geen publiek, want er was nog niets binnen, behalve een trap die wel een halve meter doorboog en die zorgde voor twee etages. Er werd sporadisch gemalen, bijvoorbeeld voor veevoer voor het hertenkamp (tweede klas graan) en voor de bakker, die zelf het graan bracht.

In 1993 was de eerste nationale Molendag op molen De Vooruitgang. In het begin kwam er 75 tot 100 man op af, tegenwoordig aanmerkelijk minder. Ieder jaar komen de communicanten uit Oeffelt naar de molen, waar ze kunnen zien hoe er meel gemalen wordt voor het brood. Daarna komen ze bijeen bij het oorlogsmonument om een foto te maken.

Damestoilet
Het toilet
Op een gegeven moment kwamen er ook vrouwelijke vrijwillige molenaars in Oeffelt te werken. Een hele dag zonder toiletbezoek hielden zij uiteraard niet vol en om deze reden moest er een toilet in de molen worden gebouwd. Hiervoor moest flink gelobbyd worden, maar dat lukte aardig en uiteindelijk is er een keurig toilet gekomen, voor dames én voor heren.

Theo bedankt!
De Vooruitgang heeft nog meer veranderingen ondergaan de afgelopen decennia. Zo moest er een boerengemaal komen om de molen elektrisch aan te drijven bij gebrek aan wind. Via internet is er een maalstoel gekocht in Goes en het bordes is gemaakt door verschillende geslaagde molenaarsleerlingen. In 2013 werd dit boerengemaal voor het eerst gebruikt.

Theo met een aantal van zijn molenaarsleerlingen
Er zijn in Oeffelt in ongeveer 30 jaar ruim 40 mensen geheel of gedeeltelijk opgeleid door Theo van Bergen, onder wie twee dames en vijf mensen uit Duitsland (Kalkar).

De naam 'De Vooruitgang' wordt wel eer aangedaan, als je bedenkt wat er allemaal is vernieuwd en veranderd onder de bezielende leiding van Theo van Bergen!

Geschreven door:
Conny van Hees en Lisette Kuijper

Vind je dit leuk? Lees dan ook:
Negentien jaar en gesneuveld in Oeffelt
Twintig sterke mannen verplaatsen molen

De beste verhalen via e-mail ontvangen?

woensdag 4 maart 2015

Hard werken maar prachtig tegelijk

...aan het werk...
Als jongste in een gezin van zes kinderen werd in een ‘ouwe boerderijke’ André Koenen geboren. We schrijven 14 juli 1937; dokter Kanters kwam met de auto. Die was gewaarschuwd door de buren die op de fiets naar Grave waren gegaan want telefoon was er nog niet.

Het waren de jaren dertig. Er was ook nog geen elektriciteit en er werd bijgelicht met petroleumlampen. Water werd uit de put gehaald, een loden pijp ging naar binnen in het huis en dan kon je pompen. Er werd gekookt op een fornuis die met briketten werd gestookt en daar werd ook brood in gebakken. Aan de zijkanten werd de was gedroogd en als er bezoek kwam, ging iedereen eromheen zitten en legde je je voeten op de standaard van de kachel. Je had iedere avond bezoek van de buren en dan werden de verhalen verteld. Iedereen hielp elkaar ook altijd, bij de slacht en op het land.

...met de traktor op het land...
André vertelt: “Naar school gingen we te voet. Eerst om half acht naar de kerk in Langenboom en daarna naar school. We liepen zomer en winter op klompen en toen ik zes was, ging ik voor het eerst naar school. Dan liep je drie kilometer, de kerk was een eindje verder. Mijn moeder deed ’s morgens (in de winter) warme as in de klompen zodat onze klompen voorverwarmd waren. Vader ging alleen op zondag naar de kerk, mijn moeder ging elke ochtend op de fiets naar de kerk. Schoenen hadden we niet want na drie jaar brak de oorlog uit maar aan het einde van de oorlog kregen we leren schoenen. Ik kreeg een paar schoenen met een driekwart hak, wat had ik daar een hekel aan, maar schoenen liepen makkelijker dan klompen.”

“Eten hadden we altijd zoals eieren, groente, aardappelen en vlees. De slager kwam in november het varken slachten. Ze kwamen met twee man op de fiets; met het gereedschap, een masker, een schraper en een brander. Dat masker had een pin en werd op de kop gezet. Die schoten ze in de kop, daarna werd er in de hals naar het hart gestoken waarna het bloed opgevangen kon worden. De anus werd eruit gesneden met een stuk dikke darm eraan en werd in de schuur opgehangen en daar werd het gereedschap mee ingevet. De blaas werd gebruikt op Vastenavond voor de foekepot. De blaas werd over een blik gespannen en er werd een rietje in gestoken en dan kon je lawaai maken en er werd bij gezongen:


Foekepot, foekepot, foekepotterij,
geef me een centje en dan ga ik voorbij”

“Heel dikwijls kwamen de buren helpen om het varken aan de kant te maken. Was alles klaar, bloedworst gemaakt en leverworst en dergelijke, dan werd er een hutspot (vleespot) naar de buren gebracht met worst en vlees erin. De buren deden dat ook na de slacht van een varken.”
“Kippen slachten deed mijn moeder altijd. We hadden er wel een paar honderd want de eieren werden verkocht aan de eiermijn in Roermond. We deden ze in een grote kist en eens in de week werden ze opgehaald. Ze werden overgeheveld naar een kist van de eiermijn. Ze zaten in rekken van honderd en ze werden meteen gewogen. Het geld werd de week erna betaald in papieren zakjes, dan waren de eieren geschouwd en geteld.”



...met de buurkinderen aan het melken...
“Toen we wat ouder werden, acht of tien, hielpen we mee op het land. Bijvoorbeeld met aardappelen rapen. Vader haalde ze eruit met de riek en wij raapten ze. En koren binden, eerst met een kleine zeis (zigt) en een pikhaak bij elkaar halen en wij bonden er stro omheen. Later kwam de maaimachine met paard ervoor. Er zat twee man op: een menner en de andere legde de stro af met een stok, in een bos (garf) bij elkaar en wij konden dan binden. De vrouw des huizes kwam met een grote pot thee en brood met gebakken eieren want tijd om te lunchen hadden we niet.”

“In de oorlog hadden we een onderduiker, want Nijmegen was platgegooid en de mensen hadden geen huis en eten meer. Eerst was er een gezin en daarna bleef een jongen over, het gezin ging naar andere mensen. De Engelsen van Market Garden lagen in onze buurt gelegerd. Allemaal tenten en de munitie, die lagen bij het Huukske. Ze hadden een aggregaat en dan hadden we overdag stroom maar ’s avonds als we het licht nodig hadden dan ging de aggregaat uit vanwege het lawaai. Het einde van de oorlog weet ik nog wel, de bevrijding. Ik ging bij m’n vader achterop de fiets naar Grave en daar heb ik de gliders zien liggen (in Overasselt) en daar heb ik ingezeten.”



...koeien liepen nog los in de wei...
“Elektriciteit kregen we in 1950. Alle apparaten stonden al klaar zoals een wasmachine, een radio, een stofzuiger en zodra de stoppen erin gingen deed alles het. Gas kregen we pas in de jaren zeventig maar we kookten toen allang elektrisch. Als jongste heb ik de boerderij overgenomen, want de oudste broers hadden al werk gevonden als timmerman en smid. 
We hebben een klein huisje erbij gebouwd voor mijn ouders maar mijn vader bleef liever in de boerderij wonen, dus ging ik met mijn vrouw in het kleine huisje wonen. Het was hard werken maar prachtig tegelijk.”

Deze gastblog is van de hand van Conny van Hees. Ben jij ook op een mooi verhaal gestuit tijdens je genealogische of historische onderzoek? En wil je dat verhaal delen? Stuur het in! Niet te lang, illustratie erbij en we plaatsen het op ons weblog. Wie durft? :-)

Vind je dit interessant? Lees dan ook:

woensdag 7 januari 2015

Brabant als vakantiebestemming

...Conny als gids naar Brabant, links naast de jongens met cowboyhoed...
Als elfjarige kwam Conny van Hees-Rietbergen voor het eerst naar Brabant. “Met de gidsen gingen we naar Teteringen en sliepen we in een stal op een boerderij. Voor een meisje uit Den Haag die drie hoog woonde, was dat een enorm feest.”

In een open vrachtwagen met laadklep werden de gidsen en hun spullen
...uit de foto's van de gidsen...
vervoerd van Den Haag naar Brabant. “Dat was al een hele onderneming. Op die manier kinderen vervoeren, is nu natuurlijk ondenkbaar. Maar wij vonden het geweldig.” De ruimte, de droppings, het spelen buiten: voor de meeste stadse kinderen gaf dat een enorm vakantiegevoel. “We hadden wel parken en het strand was dichtbij maar de vrijheid in Brabant leek toch groter.”

Na haar trouwen in 1970 kwam Conny door het werk van haar man Cees (bij de luchtmacht in Volkel) in Uden terecht. “In Den Haag woonden wij het eerste jaar van ons huwelijk bij mensen in; daar huurden wij twee kamers. Nu kregen we een huis met vijf kamers en een zolder en een tuin. Dat was helemaal het einde.” Het betekende ook het begin van een ander leven. “Ik verhuisde van een stad naar dorp.”

Binnen een week kon Conny aan de slag bij Philips. “Via het eerste uitzendbureau in Oss; Van Orsouw. De sfeer bij Philips was heel gemoedelijk met veel jonge vrouwen die net als ik allemaal net getrouwd waren. Aanvankelijk had ik veel moeite om mijn collega’s te verstaan; sommigen praatten alleen stevig dialect. Soms gingen ze voor mij over op Nederlands maar dat hielden ze maar een kwartier vol. En dat wilde ik ook niet; ik kwam hier wonen dus ik moest ook de taal leren.” Het leverde vaak hilarische situaties op. “Toen ik een keer niet direct reageerde, zei iemand: ‘zè verstut oe nie’. Dan zei ik: ‘ik verstut je wel’. Dan lag iedereen onder het bureau van het lachen. We hebben toen echt veel lol gehad.”

Conny ging het eerste jaar met de bus van Uden naar Oss. “Dan rij je eerst een stuk door de bossen en dan zag ik die seizoenen zo mooi veranderen. Het gaf mij het gevoel dat ik dan op vakantie was. Het was voor mij echt een andere wereld.” Maar dan ook letterlijk: als Haagse stapte zij in een andere cultuur. “Met – in mijn oren – niet alleen een andere taal maar ook andere gewoonten. Ik had ook het idee dat ik heel erg bekeken werd, dat iedereen alles van me wist. Bovendien ben ik nogal direct en dat wordt hier niet altijd gewaardeerd. Ik heb al veel afgeleerd. In Brabant wordt vaak om dingen heen gepraat. Dat vind ik nog steeds wel eens lastig.”

...portretfoto gemaakt bij Organon...
Toen het werk bij Philips stopte, kon Conny aan de slag bij Organon; als enige vrouw op de administratie, afdeling verpakking. “Bij Organon was alles veel strakker. Allemaal in witte jassen en chefs die mij – als 22-jarige – aanspraken als “mevrouw Van Hees”. Maar ik vond het werk erg leuk: prikklokken controleren en standaard de radio om 10 uur aanzetten op Arbeidsvitaminen.”

Toen zij in verwachting raakte en stopte met werken was het wel even slikken. “Ik had altijd gewerkt en kende vooral mijn collega’s. Toen dat wegviel en ik in mijn eentje door Uden liep, voelde ik me soms behoorlijk eenzaam. Ik kende niemand, mijn roots lagen niet hier. Toen besefte ik dat ik nog echt moest gaan aarden in Brabant.” Met twee zoontjes ging dat heel gemakkelijk. Toen haar man een half jaar naar het buitenland moest voor zijn werk, zei een buurvrouw dat ze haar wel in de gaten zou houden. “Toen ervoer ik juist dat als mensen veel van je weten dat ook een heel prettige sociale controle kan opleveren.”

...afscheid in Grave...
Zo kwam het toch goed tussen Conny en Brabant. Met één uitzondering: carnaval. “Daaraan kan ik nog steeds niet wennen. En ik heb heus de polonaise gelopen maar op de een of andere manier werd ik altijd uit de rij getrokken en gezoend terwijl ik dat niet wilde. Of het werd hommeles. Nee, carnaval moet echt in je bloed zitten; dat lukt mij niet als Haagse.” Maar ze heeft toch bijna tien jaar veel voor Brabant gedaan als vrijwilligster bij het BHIC. Er zijn heel wat aktes gedigitaliseerd door haar van het oud rechterlijk archief.

Of ze ooit terug zou willen? “Soms zie ik culturele projecten die mensen doen in Den Haag. Dan denk ik wel eens: goh, dat had ik dan ook allemaal gedaan. Maar aan de andere kant: er zijn zoveel straten, zelfs buurten in Den Haag die ik nauwelijks ken en dat heb ik in Uden dan weer niet. En met kinderen en kleinkinderen dicht in de buurt is het fijn wonen en ik vind Brabant nog steeds prachtig! Nee, het is goed zo.”

Marilou Nillesen

Vind je dit interessant? Lees dan ook:
- Gezegende picknick
- Kampvuur