Posts tonen met het label Lisette Kuijper. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Lisette Kuijper. Alle posts tonen

vrijdag 11 maart 2016

Op de spits gedreven...


In dit idyllische dorpje sloeg de vlam in de pan!
Wat een gezellig avondje had moeten worden, liep totaal uit de hand op 12 augustus 1778 in Escharen. Het begon allemaal gemoedelijk met 'een kanne Bier' en twee flessen wijn in herberg 'De Drie Sterren.' Al heel snel werden vuisten, glasscherven en zelfs pistolen niet geschuwd in de 'Esterse' gelagkamer. Koud bier maakt warm bloed, dat blijkt wel weer...

Duitse scheldpartijen
Eind achttiende eeuw was er in Escharen een regiment Zwitserse soldaten aanwezig. Al eeuwenlang worden deze militairen door heel Europa ingezet ten tijde van oorlog. Vanwege de grote spanningen tussen de Europese vorsten werden de Zwitsers ook in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden ingezet. 'Wachtmeister' Wagelij is één van deze krijgers en hij betreedt op die fatale avond de Esterse herberg...

Als je nog inspiratie zoekt voor originele (Duitse) scheldwoorden...
De verklaring is in het Duits opgetekend en dat levert een aantal opmerkelijke uitdrukkingen op. Wagelij geeft aan dat hij en zijn twee korporaals lawaai hadden gehoord vanuit de 'Drey Sternen.' Er was kennelijk een ruzie geweest met de vrouw van de herbergier over geld.

Plotseling staat een vreemdeling op en slaat iemand neer met een wijnfles. Zelf blijft hij ook niet ongedeerd; met de fles nog in de hand loopt hij door de glasscherven een bloedige wond op. De onbekende man spreekt vervolgens de geschrokken aanwezigen toe: 'Sie seyen Huntzfüttern, Spitzbuben und schlechte Leuthen!' Eén soldaat krijgt ten slotte de volle laag: 'Dieser ist ein richtiger Spitzbub,' roept de woedende man, wijzend op de arme stakker.  'Spitsboef' betekent overigens van oorsprong bedrieglijke jongen of 'grote schelm'.

Vechtersbaas
Hier stopt het verhaal uiteraard niet. De vreemdeling haalt uit naar het gezicht van een Zwitserse korporaal en slaat vervolgens de knecht van de herberg de deur uit! De andere korporaal meent zelfs een geweer of klein pistool te hebben gezien.

Waren er zelfs geweren in het spel? Jammer dat we dit nét niet kunnen lezen...

De legerleiding weet verder niets over de vechtersbaas te vertellen, behalve dat hij burgerkleding droeg en Nederlands, Duits én Frans sprak. Gelukkig is er ondanks de grote brand op het Graafse gemeentehuis in 1902 toch nog een hoop bewaard gebleven. Zo kwamen we heel ergens anders in dit archief nóg een verklaring tegen over deze ruzie en wel van de vermeende dader zelf!

Een eerlijk man?
De man die uiteindelijk bij de Brugpoort is aangehouden, luistert naar de naam Anthoon Wichteriks, geboren in Keulen. Hij heeft natuurlijk een heel ander verhaal van de bewuste avond. Volgens hem had hij niemand uitgescholden en had hij zijn handen netjes thuisgehouden. Híj was juist degene die ervan langs kreeg van enkele Zwitserse soldaten.

Wie is hier nu het slachtoffer?
Anthoon geeft ruiterlijk toe dat hij in een 'beschonken toestand' verkeerde en ruzie had gemaakt met de herbergierster over het geld. Maar geslagen? Nee, daar zou hij niet eens toe in staat zijn geweest door de vele liters drank. Uit frustratie had hij de wijnfles op tafel kapot geslagen, omdat de vrouw direct geld wilde zien. De knecht had hij overigens niet de herberg uitgeslagen maar 'gestooten.'

De tragische afloop: om hulp gevraagd, maar toch gearresteerd!

Zonder verder ruzie te zoeken met de aanwezige soldaten, werd de arme Anthoon door een heel groepje in elkaar geslagen. 'Gij tracteert mij als een spitsboef, als een schelm en niet als een eerlijk man,' zou hij wanhopig hebben uitgeroepen. Wat denk jij, hebben we hier te maken met een scheldende spitsboef of met een eerlijk man? Hoe dan ook, Athoon Wichteriks blijft ontkennen maar wordt toch opgepakt en vastgezet in de ´Hoofdwagt.´

Geschreven door:
Lisette Kuijper  

Vind je dit leuk? Lees dan ook:
- Herrie in de herberg!
- Vijf en twintig Bossche hoertjes in één brief

De beste verhalen via e-mail ontvangen?
 
 

maandag 1 februari 2016

De lotgevallen van een 'hulpeloos mensch'

Slot van de lange klachtbrief van Swinkels. Onthou vooral zijn handschrift...
Ook deze week nemen we in het kader van de  openbaarheidsmaand weer een kijkje in één van onze kerkelijke archieven. Dit keer duiken we in het tragische verhaal van Martinus Swinkels, die keer op keer de Udense pastoor Spierings, bisschop Van de Ven en zelfs de aartsbisschop van Utrecht smeekte om te mogen trouwen. Wanneer we verder graven in onze archieven, vinden we de opmerkelijke reden van deze pertinente weigeringen...

Martinus Swinkels was geboren in 1874 te Uden als zoon van een ongetrouwde moeder. Op een gegeven moment vond hij werk bij een meubelmaker in Duitsland. Zijn 'zuur gespaarde penningen' wilde hij spenderen aan een mooie bruiloft. Maar helaas, de geestelijken stribbelden tegen...

Van Herodus naar Pilatus...
Het archief van de parochie Sint Petrus te Uden bevat een ellenlange klachtenbrief van Martinus Swinkels, gericht aan de 'aardsbisschop' van Utrecht. In een uiterste poging om tóch dispensatie te krijgen voor zijn huwelijk legt hij op 8 juni 1900 zijn 'treurigen toestand' aan de hooggeplaatste geestelijke bloot.

Vervreemd en uitgeworpen...Martinus twijfelt aan de Kerk!
De Udense pastoor Spierings had geweigerd om een verzoek voor dispensatie door te sturen naar bisschop Van de Ven in Den Bosch. Hij bemoeide zich niet met die zaak; dit waren 'zijne eigene woorden,' aldus een geagiteerde Martinus.

De gehele brief bestaat uit een klaagzang over de handelswijze van Spierings en Van de Ven, die hem verschillende reizen vanuit Duitsland lieten maken, allemaal zonder resultaat. Uiteindelijk bleef Martinus geruïneerd achter, als een 'hulpeloos mensch' en met een 'ledige beurs.'  Hij had er schoon genoeg van om telkens van 'Herodus naar Pilatus' te worden gestuurd en begon zelfs te twijfelen aan de leerstellingen van de Rooms-Katholieke kerk!

Schande
Na de zoveelste reis naar Nederland bleek dat er geen dispensatie kon worden verleend omdat hij in Duitsland woonde. Inmiddels had hij zijn aanstaande bruid bij zich in huis genomen, omdat zij niet langer kon wonen in haar 'onhoubare stal.' Je kunt het je voorstellen hoe heel Uden schande sprak van deze situatie. Teleurgesteld wendde Martinus zich 'fluks' tot de pastoor van Sterkrade en diens antwoord was verrassend. Lees maar mee:

De Duitse pastoor ziet geen enkel probleem!
Deze Duitse pastoor meende dus dat Swinkels zonder bezwaar in 'Holland' zou kunnen trouwen en dat er helemaal geen dispensatie verleend hoefde te worden! Het probleem was dat men het stel gewoon niet wílde trouwen, aldus de pastoor. Wat waren dan de achterliggende redenen voor Spierings en Van de Ven, die halsstarrig weigerden dit huwelijk te voltrekken?

Harmonicaspeler
Hiervoor moeten we even terug naar de prille jeugd van Martinus Swinkels. Op 15-jarige leeftijd komt hij als een onschuldig ogende harmonicaspeler al voor het eerst in aanraking met justitie. Wegens bedelarij tussen Sambeek en Boxmeer werd hij acht dagen in hechtenis genomen.

Aanklacht tegen de bedelende Martinus, 1890
In bovenstaande aanklacht staat precies beschreven hoe de pientere Swinkels dit aanpakte. Hij stak één van zijn armen in de jas 'ten einde de liefdadigheid der voorbijgangers op te wekken, willende doen voorkomen alsof hij die arm miste.'

Twaalfvoudige dief
Was dit dan voldoende grond om hem de kerkelijke zegen over zijn huwelijk te ontzeggen? Misschien konden de bisschoppen dit akkefietje nog wel door de vingers zien, maar een jaar later werd Martinus opnieuw in de kraag gevat. Ditmaal voor een ernstiger vergrijp, namelijk een twaalfvoudige diefstal!

De 16-jarige harmonicaspeler belandt in 1891 wéér in de gevangenis

Deze keer kwam Swinkels voorlopig de gevangenis van Breda niet uit. Hij kreeg maar liefst een jaar gevangenisstraf opgelegd. Zekerheid hebben we natuurlijk niet, maar het is heel goed mogelijk dat Spierings en Van de Ven vanwege zijn misdadige verleden geen dispensatie voor zijn kerkelijk huwelijk wilden verlenen.

Beschrijving van Martinus Swinkels in het gevangenisregister. Vergelijk zijn handtekening met de eerste foto...
Toch lijkt het erop dat Martinus zijn leven heeft verbeterd. Na 1891 duikt zijn naam niet meer op in de gevangenisregisters en op 28 juli 1900 stapte hij uiteindelijk in het huwelijksbootje met zijn geliefde Johanna Maria van Boxtel. Of het kerkelijk huwelijk ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, blijft vooralsnog een mysterie...


Geschreven door:
Lisette Kuijper  

Vind je dit leuk? Lees dan ook:
Kijkje in kerkelijke archieven
Elk huisje heeft zijn kruisje

De beste verhalen via e-mail ontvangen?
 
 

woensdag 6 januari 2016

Een kwaaie burgemeester...

De originele handtekening van 'de kwaaie' burgemeester zelf!
Maak kennis met de voorname Ludolph de Quaij. Als burgemeester, dijkgraaf, schout en zelfs richter van Grave en omstreken had hij behoorlijk wat in de melk te brokkelen. En laat nou juist deze vooraanstaande rechter zelf herhaaldelijk in aanraking komen met de zeventiende-eeuwse justitie...

Afpersingen
Ludolph de Quaij wordt op zijn gedenkteken 'Collonel van de Burgerye' van Grave, of in hedendaagse termen 'burgemeester', genoemd. In 1728 sterft hij en wordt hij in het graf van de familie De Quaij in de Sint Elisabethskerk bijgezet. Het keurige opschrift geeft echter niets prijs over zijn schimmige verleden.

Ondanks zijn (mis)daden kreeg hij tóch een eigen grafkelder
Het 'strafblad' van Ludolph de Quaij begint namelijk al flink vol te raken in het jaar 1683. De Graafse bakkers en brouwers klagen steen en been sinds De Quaij de molens en het gemaal in pacht had genomen. Een bakker op leeftijd verklaart dat hij al ruim 43 zijn broden in Grave bakt en dat de situatie nog nooit zo slecht is geweest als nu. Er volgt een vrij ingewikkeld relaas over afpersingen en over vervallen molens die niet werden gerepareerd.

Heethoofd
Niet alleen op financieel gebied maakte Ludolph de Quaij er een potje van. Ook zijn handen kon hij soms maar moeilijk thuis houden. Het eerste voorval vindt plaats op 29 juni 1683. Een zekere Theodorus van Bemmel maakte een wandelingetje aan de overkant van de Maas. Zijn oog viel op een groepje ruziënde mannen.

Werd hier nu een stok gebruikt of niet?
Van Bemmel verklaart dat Busson en Noorbeek 'vegtende' waren en dat heethoofd De Quaij hierop af wilde vliegen. Uit alle macht probeerde ene Jacob Martens de burgemeester tegen te houden. Onduidelijk blijft wel hóe dat Martens uiteindelijk is gelukt.

De bijzin 'een stok of riem in de hand hebbende' is namelijk doorgestreept! Daarna lezen we dat Martens hem belette om bij de anderen te komen, met deselve stok. Ook dit laatste stukje is geschrapt. Nog verder in deze notarisakte staat een doorgestreept gedeelte over Martens, die zelfs een mes zou hebben gehad, dat hij schielijk weer in zijn zak zou hebben gestopt. Een typisch gevalletje van doofpot politiek?

Op de vuist!
Jacob Martens was in juni nog de redder in nood, maar twee maandjes later was er geen houden meer aan. Opnieuw een verklaring van Theodorus van Bemmel, die op een zomermiddag gezellig zat te kletsen in de keuken van Johan Bussij.

De Quaij vecht en scheldt erop los!
Plotseling stormt De Quaij binnen samen met controleur Noorbeek, die in bovenstaand geval al een vechtjas bleek. Noorbeek begint met een onschuldige vraag: 'Heb je je neusdoek niet achter gelaten?' Verwonderd zal Bussij hebben opgekeken, maar voor hij het weet, wordt hij twee of drie keer door De Quaij met een stok afgeranseld!

Volgens de echtgenote van Bussij schold de burgemeester haar man ook nog uit voor een 'schelm'. Enigszins van de schrik bekomen probeerde de arme stakker zich te verweren, maar Noorbeek vloog direct op hem af. Het leek dus te gaan om een vooropgezet plan, aldus de 'huijsvrouw.'

Ik bid u, De Quaij...
Ondanks de beschuldigingen van vele afpersingen en vechtpartijen heeft dit heethoofd zijn vooraanstaande functies weten te behouden. Bovendien liet hij een aanzienlijke erfenis na (onder andere 5000 gulden voor elk van zijn vijf kinderen) en kreeg hij een eigen grafkelder in de Graafse kerk.

'Ik bid u De Quaij, blijft daer af!'
Wie weet hoe vaak mensen zoals Jacob Martens Ludolph de Quaij hebben moeten kalmeren? De kreet van Martens in het heetst van de strijd is misschien wel heel illustratief voor het karakter van De Quaij: 'Ik bid u De Quaij, blijft daer af!'

Geschreven door:
Lisette Kuijper  

Vind je dit leuk? Lees dan ook:
Herrie in de herberg!
Geheimzinnige Graafse graftombe

De beste verhalen via e-mail ontvangen?
 

woensdag 25 november 2015

Herrie in de herberg!

In één van deze mooie Graafse huisjes brak de hel los...
7 oktober 1793. Vier vrienden zitten middenin de patriottentijd heerlijk ontspannen een biertje te drinken in een Graafse herberg. Dit gezellig samenzijn werd plotseling ruw verstoord door twee soldaten. Flessen, vuisten en zelfs sabels werden door de heren niet geschuwd...

Cornelis Janssen was de trotse eigenaar van een herberg in Grave vlakbij de Sint Elisabethskerk. Het bordje 'Koning van Pruisen' hing uitnodigend aan de gevel. Peter de Ruyter, Jan van Geffen en Arnoldus Genabeek, drie vrienden van 'competenten ouderdom' konden de verleiding niet weerstaan en besloten samen wat te gaan drinken. Ook een zekere Hermanus Gerrits was van de partij.

Het witte vlakje geeft de waarschijnlijke plaats van de ruzie aan
Op dat moment bevonden zich ook twee 'canoniers' in de herberg, namelijk de heren La Hey en Dublesie. La Hey voegde zich bij het gezelschap aan tafel en Hermanus vroeg hem onder welke compagnie de canonier diende. Zijn antwoord was opmerkelijk: 'dat zaakt u niet.'

Scheldkanonnades
Daar nam Hermanus geen genoegen mee. 'Ik heb de naam van mijn kapiteijn altijd durven noemen,' roept hij stoer. Schoorvoetend mompelt La Hey dat hij onder het commando van de heer Booser viel. Hermanus gelooft zijn oren niet: 'Daar heb ik ook meede gediend!'

Heftige woordenwisselingen
De sfeer slaat om en er volgt een verhitte discussie. 'Dat liegt gij als een schelm!' (schurk) roept La Hey uit. Vervolgens draait hij zich om naar zijn makker Dublesie en zucht geërgerd: 'Het sijn hier allemaal patriotten als in Arnhem en Nijmegen!'
Op dat moment was er in Nederland een strijd gaande tussen de patriotten en de orangisten, die trouw bleven aan stadhouder Willem V van Oranje-Nassau. De twee canoniers moesten kennelijk niets hebben van die vrijgevochten patriotten.

Flessen en sabels
Die beschuldiging liet Jan van Geffen niet zomaar over zijn kant gaan: 'Gij hebt de verkeerde voor, ik heb den Prins gediend (...) Daar heb ik mijn eerlijke paspoort voor.' La Hey daagt Jan meteen uit om het te bewijzen: 'Gij sijt een schelm als gij ze niet gaat haalen.' Maar Van Geffen gehoorzaamt niet...

Woedend slaat La Hey hem vervolgens de pijp uit de mond en de hoed van 't hoofd. Maatje Dublesie staat hem terzijde en trekt zelfs zijn sabel uit zijn schede! 'Man, laat dat steecken, dat komt hier niet te pas!' roept Peter de Ruyter verschrikt uit. Aarzelend legt Dublesie zijn wapen weg. 'Het is mijn hetselfde off ik er een capot maak off dat sij mij capot maaken, ik gaa toch naar het veld toe,' licht de soldaat somber toe.

De mannen gaan met elkaar op de vuist!
De eerste die hier 'aktie' maakt, hoe dan ook, gaat hier de deur uit, laat herbergier Cornelis Janssen resoluut weten. Meteen daarna gaat het helemaal mis. Jan van Geffen staat op en wil vertrekken, maar La Hey verspert hem de weg. Jan geeft hem een stoot, waardoor hij achterover valt. De canonier krabbelt overeind en slaat Van Geffen met een fles in het gezicht, waar een 'bloedigen wonde' ontstond.

Dans- en zoenpartijen
Voordat de ruzie écht uit de hand loopt, verlaat La Hey de herberg en de rust keert weer terug. De drie vrienden zijn uiteraard geschrokken, maar bleven toch nog geruime tijd hangen. Er kwamen die avond 'geene andere onbetaamlijkheeden' voor, 'tensij men daarvoor wilde houden een vreedige en vriendelijke dansparthij en het opendelijk soenen van een zeker vrouwspersoon door den canonier Dublesie, die hetselve meede ter herberge gebragt had.'

Het werd toch nog gezellig in de herberg. Misschien wel iets té gezellig...

Natuurlijk weet ik niet wat de herbergier van deze 'dansparthij' heeft gevonden of dat Dublesie wellicht iets te ver is gegaan in zijn avances naar dat 'vrouwspersoon.' Toch zou ik een beetje romantiek en een paar liederlijke dansjes verkiezen boven foeterende mannen, die met elkaar op de vuist gaan...

Geschreven door:
Lisette Kuijper  

Vind je dit leuk? Lees dan ook:
Schijt aan den Koning!
Cynisme, geldzucht en 'n hooivork in de borstkas

De beste verhalen via e-mail ontvangen?
 

maandag 9 november 2015

Lang haar: ook voor mannen!

Alle geslaagde modinettes werden getrakteerd op een 'mieters plaatje'
Deze pas geslaagde Udense modinettes kregen niet alleen een bosje bloemen bij hun diploma, maar zij werden ook getrakteerd op een 'mieters plaatje' dat ze zelf uit mochten kiezen. Uiteraard ontbreken de Beatles niet op dit verlanglijstje uit 1969. Toch was niet iedereen in die tijd gecharmeerd van deze legendarische band en hun 'flink lange kapsels'...

Mieters plaatje
Vele Udense meisjes hebben zich in de vorige eeuw toegelegd op het ontwerpen en naaien van korsetten; een 'echt vrouwelijk beroep,' lezen we in de Udensche Courant van 1969. Na afloop van de cursus ontvingen de meiden een zogenaamd VOC (Vakopleiding voor de Confectie-Industrie) diploma én een plaat van hun lievelingsband. Betty de Wilt en Ria van Ras behoorden tot de gelukkigen.

Echte Beatles-lovers, deze Udense modinettes
De Beatles hadden tegen die tijd al een uitgebreid repertoire opgebouwd en ook in Uden bevond zich een behoorlijke schare fans. Betty en Ria kozen allebei voor het nummer 'Ballad of John and Yoko' van de langharige popidolen. Gek genoeg hebben de twee meiden zelf juist een heel kort koppie!

Besmettelijke ziekte
Een paar jaar eerder verscheen een artikel in de Udensche Courant over de almaar groeiende lokken van vooral Engelse jongeren. Als een 'besmettelijke ziekte' greep deze nieuwe haardracht om zich heen. Sommigen verloren hun baan dankzij hun nieuwe kapsel en anderen werden zelfs door de politie met een mes onder handen genomen en gekortwiekt!

Deze jongens hebben al 'flink lange kapsels gefokt'
Uiteindelijk is deze haardracht in de jaren zeventig ook in Nederland populair geworden, zo weten we nu. Maar in 1966 oogstten deze kapsels nog diepe verontwaardiging in onze kranten. Het begon allemaal in Hamburg, toen de Beatles geen tijd meer hadden om naar de kapper te gaan. Met hun gebrekkige Duits durfden ze daar geen kapsalon te bezoeken en voilà, het moderne kapsel was geboren. 

Gevaarlijk, die lange kuif!
Volgens de auteur van dit artikel zaten er veel schaduwkanten aan lange kapsels. Zo zou het bij winderig weer en in het verkeer zelfs gevaarlijk kunnen zijn. Bovendien vergde de verzorging van de lange lokken alleen maar veel tijd en geld.

Gevaarlijk, maar toch ook verleidelijk, zo'n lange kuif!
Toch kleefde er ook één voordeel aan de nieuwe haardracht. Meisjes schenen jongens met lang haar namelijk vaak te prefereren boven de 'gewone knapen'! Bovendien, de musea hangen vol met portretten van stoere mannen mét lang haar! Misschien moeten de heren onder ons tóch iets minder vaak de kapper bezoeken....

Welke heren durven het te proberen?


Geschreven door:
Lisette Kuijper  

Vind je dit leuk? Lees dan ook:
- Udense band vanuit de schoolbanken
- Bijzondere bustes

De beste verhalen via e-mail ontvangen?
 




woensdag 4 november 2015

Helemaal 'herfst-proof'

Regenkapjes kunnen dus ook modieus zijn, althans in 1957...
Vele scholieren peinzen er tegenwoordig niet over om zich goed te beschermen tegen het gure herfstweer. Met dunne jasjes stappen ze op de fiets, terwijl de regenpakken ongebruikt in de kast blijven liggen. Wat dat betreft kunnen we nog heel veel van oude kranten leren; van modieuze regenkapjes tot prima fietsmantels!

Groot alarm!
Nonchalante rommelknotjes waren er vroeger niet bij; met name de vrouwen besteedden de uiterste zorg aan hun kapsel. Een modieus plastic regenkapje was dus eigenlijk een must om de keurige lokken in bedwang te houden.

Paniek, een regenkapje verloren!
In 1955 was een Boxmeerse dame waarschijnlijk in lichte paniek toen zij merkte dat ze haar zwarte regenkapje was kwijtgeraakt. Meteen stuurde ze bovenstaande tekst naar het Boxmeers Weekblad in de hoop dat iemand de kostbare accessoire terug zou komen brengen...

Prima prima!
Met een klein kapje ben je er natuurlijk nog niet. Want zeg nou zelf, wat is er vervelender dan plakkende broeken en doorweekte shirts?

Dé oplossing voor herfststormen in 1917
De oplossing is simpel, zo lezen we in het Boxmeers Weekblad van 1917. 'Prima prima waterdichte fietsmantels' houden je helemaal droog! Mocht je voor een meer classy stijl gaan, dan kon je terecht bij de Vroom&Dreesmann, waar in 1927 verschillende elegante damesmantels te koop werden aangeboden.

Najaarsmode bij de V&D in 1927
Genoeg inspiratie dus voor het komende herfstseizoen! Zelf sla ik bij het eerste druppeltje regen ook meteen mijn gammele parapluutje open, maar misschien moeten we (na al die kapotte paraplu's) eens een voorbeeld nemen aan onze moeders en oma's.

Blader zelf door de kranten!
Het BHIC heeft nu naast het Boxmeers Weekblad, de Graafsche Courant en de Echo, ook de Udensche Courant over de periode 1910-1970 gedigitaliseerd en (gedeetelijke) online gezet. Hiermee staan ruim 40.000 nieuwe krantenpagina's online op www.bhic.nl/kranten. 'Blader' digitaal in bijna honderd jaar historie! Voor lokaal geïnteresseerden een bron bij uitstek om grote en kleine gebeurtenissen uit het verleden te achterhalen. 


Geschreven door: Lisette Kuijper    

Vind je dit leuk? Lees dan ook:
Geniet van de herfst, steek een sigaret op
- Brabants orkaangeweld


De beste verhalen via e-mail ontvangen?


woensdag 28 oktober 2015

Advocaat van de heksen

Johannes Wier (1515-1588), de trots van Grave
Precies vijfhonderd jaar geleden werd in Grave een jongetje geboren, dat later uit zou groeien tot een fanatieke tegenstander van de 'heksenwaan.' Johannes (Jan) Wier (1515-1588) sprong in de bres voor vele arme vrouwen, die zonder zijn hulp op de brandstapel zouden belanden. 

Bolleboos
Johannes Wier, ook wel Jan genoemd, werd in 1515 geboren in een voorname Graafse familie. Zijn vader was handelaar in hop en deed goede zaken. Jan was meer een bolleboos en ging op jeugdige leeftijd in de leer bij humanist Agrippa. In 1535 promoveerde hij in de medicijnen en drie jaar later vestigde hij zich als arts in zijn geboorteplaats Grave.

Monument op de Rabobank in Grave
Samen met zijn vrouw Judith kreeg hij vier zonen en één dochter, Sophie. In 1545 verliet hij Grave weer en werd aangesteld als stadsarts in Arnhem. Tot slot vertrok hij naar het hof van Willem de Rijke, hertog van Gulik, Kleef en Berg. Hier kreeg Wier de ruimte om zijn opvattingen over hekserij in daden om te zetten. Hij wilde de geneeskunde namelijk zuiveren van allerlei bijgelovige en onwetenschappelijke elementen. Voor die tijd waren zijn ideeën erg revolutionair en niet zonder gevaar...

Brandstapel
Jan Wier werd geboren in een roerige tijd. In 1487 werd de Malleus Maleficarum (Heksenhamer) gepubliceerd en dit werk luidde een golf van heksenvervolgingen in. In 1517 maakte Maarten Luther zijn stellingen bekend en braken de godsdienstoorlogen uit.

Heksen op de brandstapel uit de Heksenhamer
Te midden van dit alles probeerde Jan Wier de arme 'heksen' in bescherming te nemen. Hij ontkende niet het bestaan van demonen (hij meende zelfs dat er maar liefst 7.405.926 duivels rondzwierven), maar hij pleitte voor medische onderzoeken en behandelingen in plaats van martelingen en de brandstapel. Die waren volgens Wier nutteloos en wreed, 'want hun ziekte doet al pijn genoeg.'

Jan Wier publiceerde zijn ideeën voor het eerst in zijn boek 'De Prestigiis Daemonum' (over duivelse bezetenheid)  in 1564. Hoewel het boek door meerdere vorsten is verboden en in Schotland zelfs op de brandstapel belandde, is Wier zelf nooit zo'n vreselijk lot beschoren. Mede door zijn goede connectie met hertog Willem ontsprong hij de dans.

Leren etuitje
Over het leven van Wier in Grave is weinig bekend. Wel weten we dat hij samen met zijn vrouw Judith en dochter Sophie een huisje bezat in Ravenstein. Daar speelde zich op een dag een bizar tafereel af...

Er was eens een meisje, dat door een boze geest bezeten zou zijn. Om haar hals hing daarom een leren etuitje, waarin een briefje zat genaaid. De pastoor meende dat dit de geest zou uitdrijven. Judith fronste haar wenkbrauwen toen zij hiervan hoorde en zij besloot het arme meisje op te nemen in huize Wier. De vrouw des huizes drukte haar op het hart dat de woorden van meneer de pastoor klinkklare onzin waren.
Typische afbeelding van heksen, 1510
Het meisje werd vervolgens aan tafel uitgenodigd. Op een gegeven moment trok Judith het etuitje van de hals van het meisje af. Alle aanwezigen waren hevig geschrokken en verlieten de kamer, behalve Judith, Sophie en het meisje. Ze genoten verder rustig van de maaltijd en het meisje heeft nooit meer last gehad van de boze geest.

Natuurlijk zijn we allemaal heel nieuwsgierig naar de inhoud van het etuitje. Wat had de pastoor opgeschreven? Bijbelteksten, spreuken of Latijnse teksten? Niets van dit alles! Er zat een vergeeld, blanco stukje papier in, dat samen met het etuitje in het vuur werd gegooid. Zo toonden Wier en zijn vrouw weer een stukje 'onzinnig' bijgeloof aan. 

Trots
Tijdens zijn leven deed Jan Wier vele onderzoeken naar bijgeloof, hekserij en het bestaan van allerlei ziekten. Uiteindelijk overleed hij in 1588 in het Duitse Tecklenburg. Daar is op 3 oktober jl. een uitgebreide herdenking geweest, waarbij een Graafs koor ook hun muzikale bijdrage heeft geleverd. 

Feestelijke herdenking in Duitsland
In Grave zelf houdt een plaquette op de Rabobank de herinnering aan deze vooruitstrevende arts levend, maar in Tecklenburg is er in 1884 zelfs een complete toren voor hem opgericht! Daar zijn dit jaar dus ook allerlei festiviteiten geweest. Grave zou ook best wat trotser mogen zijn op deze held; ten slotte is hij hier geboren en getogen en hij heeft er zelfs gewoond. En hij heeft minstens één arm meisje uit deze omgeving van de ondergang gered...

Geschreven door:
Lisette Kuijper  

Vind je dit leuk? Lees dan ook:
- Een weldenkend en humaan mens: Johannes Wier (1515-1588)
- Hanneke kiest: Heksenproef #stukvanhetjaar2014

De beste verhalen via e-mail ontvangen?
 

vrijdag 16 oktober 2015

Koning en Koningin van Sint Hubert

Het St BarbaraGilde uit Sint Hubert. Viering van het 300-jarig bestaan
Pats! Met een perfect schot heeft Tiny Verberk, de man van Anna-Marie Verberk, de vogel neergehaald. In het 300ste jubileumjaar van het St BarbaraGilde te Sint Hubert is Tiny de Koning geworden en Anna-Marie vanzelfsprekend zijn Koningin. Conny van Hees heeft Anna-Marie, vrijwilligster bij het BHIC in Grave, geïnterviewd over haar passie bij het gilde.

Het St BarbaraGilde te Sint Hubert bestaat al sinds 1715, vertelt Anna-Marie. Zij is de allereerste vrouw die lid werd van het gilde. Op dit moment bestaat de club uit 17 leden, van wie vijf vrouwen. Zodra het toegestaan was voor vrouwen om lid te worden, meldde Anna-Marie zich aan. Haar man was al secretaris en zij hielp hem met diverse taken, zoals het bijhouden van het archief.

Eeuwenoud Koningsboek
Een belangrijk stuk uit dit archief is het Koningsboek, dat tot voor kort bij iemand thuis was opgeborgen. Door toedoen van Anna-Marie is het boek overgedragen aan het BHIC in Grave, waar het in optimale condities wordt bewaard.
Tiny en Anna-Marie Verberk als Koning en Koningin van het St BarbaraGilde
Eenmaal per jaar wordt het Koningsboek uitgeleend aan het gilde en mag de nieuwe Koning zijn naam en het jaartal erin schrijven. Dit jaar viel deze eer toe aan Tiny Verberk. Zo blijven de namen van alle koningen voor het nageslacht bewaard, al vanaf 1715!

Koningschieten en gildekostuums
Maar hoe word je dan zo'n Koning van het gilde? Dit kan alleen door te winnen bij het jaarlijks terugkerende Koningschieten. Je neemt een geweer, vlakboog of kruisboog ter hand en je schiet op een houten klos, die ook wel 'vogel' wordt genoemd. Degene die het laatste stukje eraf schiet, wordt de Koning.

Overblijfselen van de vogel na het schot van Tiny Verberk
Natuurlijk past bij een vereniging zoals het gilde ook een prachtig kostuum. In 1996 zijn voor de mannen nieuwe uniformen aangeschaft. Helaas voor Anna-Marie, die toentertijd de enige vrouw was binnen het gilde, waren er toen nog geen gildekostuums voor vrouwen.

Anna-Marie (rechts) in het gildekostuum
Uiteindelijk is voor de actieve vrouwelijke leden een gildetenue bedacht. De kostuums zijn gemaakt in België en bestaan uit een zwarte rok, witte blouse. zwarte cape en een rood hoedje. Heel mooi natuurlijk, maar Anna-Marie is vooral zo enthousiast over het gilde vanwege de saamhorigheid. 'Het gilde is echt een broederschap,' vertelt de Koningin van Sint Hubert apetrots.

Geschreven door:
Conny van Hees en Lisette Kuijper

Vind je dit leuk? Lees dan ook:
- De papegaai van Nuland
Op oorlogspad naar Rusland!

De beste verhalen via e-mail ontvangen?