Posts tonen met het label Soldaten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Soldaten. Alle posts tonen

vrijdag 11 maart 2016

Op de spits gedreven...


In dit idyllische dorpje sloeg de vlam in de pan!
Wat een gezellig avondje had moeten worden, liep totaal uit de hand op 12 augustus 1778 in Escharen. Het begon allemaal gemoedelijk met 'een kanne Bier' en twee flessen wijn in herberg 'De Drie Sterren.' Al heel snel werden vuisten, glasscherven en zelfs pistolen niet geschuwd in de 'Esterse' gelagkamer. Koud bier maakt warm bloed, dat blijkt wel weer...

Duitse scheldpartijen
Eind achttiende eeuw was er in Escharen een regiment Zwitserse soldaten aanwezig. Al eeuwenlang worden deze militairen door heel Europa ingezet ten tijde van oorlog. Vanwege de grote spanningen tussen de Europese vorsten werden de Zwitsers ook in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden ingezet. 'Wachtmeister' Wagelij is één van deze krijgers en hij betreedt op die fatale avond de Esterse herberg...

Als je nog inspiratie zoekt voor originele (Duitse) scheldwoorden...
De verklaring is in het Duits opgetekend en dat levert een aantal opmerkelijke uitdrukkingen op. Wagelij geeft aan dat hij en zijn twee korporaals lawaai hadden gehoord vanuit de 'Drey Sternen.' Er was kennelijk een ruzie geweest met de vrouw van de herbergier over geld.

Plotseling staat een vreemdeling op en slaat iemand neer met een wijnfles. Zelf blijft hij ook niet ongedeerd; met de fles nog in de hand loopt hij door de glasscherven een bloedige wond op. De onbekende man spreekt vervolgens de geschrokken aanwezigen toe: 'Sie seyen Huntzfüttern, Spitzbuben und schlechte Leuthen!' Eén soldaat krijgt ten slotte de volle laag: 'Dieser ist ein richtiger Spitzbub,' roept de woedende man, wijzend op de arme stakker.  'Spitsboef' betekent overigens van oorsprong bedrieglijke jongen of 'grote schelm'.

Vechtersbaas
Hier stopt het verhaal uiteraard niet. De vreemdeling haalt uit naar het gezicht van een Zwitserse korporaal en slaat vervolgens de knecht van de herberg de deur uit! De andere korporaal meent zelfs een geweer of klein pistool te hebben gezien.

Waren er zelfs geweren in het spel? Jammer dat we dit nét niet kunnen lezen...

De legerleiding weet verder niets over de vechtersbaas te vertellen, behalve dat hij burgerkleding droeg en Nederlands, Duits én Frans sprak. Gelukkig is er ondanks de grote brand op het Graafse gemeentehuis in 1902 toch nog een hoop bewaard gebleven. Zo kwamen we heel ergens anders in dit archief nóg een verklaring tegen over deze ruzie en wel van de vermeende dader zelf!

Een eerlijk man?
De man die uiteindelijk bij de Brugpoort is aangehouden, luistert naar de naam Anthoon Wichteriks, geboren in Keulen. Hij heeft natuurlijk een heel ander verhaal van de bewuste avond. Volgens hem had hij niemand uitgescholden en had hij zijn handen netjes thuisgehouden. Híj was juist degene die ervan langs kreeg van enkele Zwitserse soldaten.

Wie is hier nu het slachtoffer?
Anthoon geeft ruiterlijk toe dat hij in een 'beschonken toestand' verkeerde en ruzie had gemaakt met de herbergierster over het geld. Maar geslagen? Nee, daar zou hij niet eens toe in staat zijn geweest door de vele liters drank. Uit frustratie had hij de wijnfles op tafel kapot geslagen, omdat de vrouw direct geld wilde zien. De knecht had hij overigens niet de herberg uitgeslagen maar 'gestooten.'

De tragische afloop: om hulp gevraagd, maar toch gearresteerd!

Zonder verder ruzie te zoeken met de aanwezige soldaten, werd de arme Anthoon door een heel groepje in elkaar geslagen. 'Gij tracteert mij als een spitsboef, als een schelm en niet als een eerlijk man,' zou hij wanhopig hebben uitgeroepen. Wat denk jij, hebben we hier te maken met een scheldende spitsboef of met een eerlijk man? Hoe dan ook, Athoon Wichteriks blijft ontkennen maar wordt toch opgepakt en vastgezet in de ´Hoofdwagt.´

Geschreven door:
Lisette Kuijper  

Vind je dit leuk? Lees dan ook:
- Herrie in de herberg!
- Vijf en twintig Bossche hoertjes in één brief

De beste verhalen via e-mail ontvangen?
 
 

woensdag 25 november 2015

Herrie in de herberg!

In één van deze mooie Graafse huisjes brak de hel los...
7 oktober 1793. Vier vrienden zitten middenin de patriottentijd heerlijk ontspannen een biertje te drinken in een Graafse herberg. Dit gezellig samenzijn werd plotseling ruw verstoord door twee soldaten. Flessen, vuisten en zelfs sabels werden door de heren niet geschuwd...

Cornelis Janssen was de trotse eigenaar van een herberg in Grave vlakbij de Sint Elisabethskerk. Het bordje 'Koning van Pruisen' hing uitnodigend aan de gevel. Peter de Ruyter, Jan van Geffen en Arnoldus Genabeek, drie vrienden van 'competenten ouderdom' konden de verleiding niet weerstaan en besloten samen wat te gaan drinken. Ook een zekere Hermanus Gerrits was van de partij.

Het witte vlakje geeft de waarschijnlijke plaats van de ruzie aan
Op dat moment bevonden zich ook twee 'canoniers' in de herberg, namelijk de heren La Hey en Dublesie. La Hey voegde zich bij het gezelschap aan tafel en Hermanus vroeg hem onder welke compagnie de canonier diende. Zijn antwoord was opmerkelijk: 'dat zaakt u niet.'

Scheldkanonnades
Daar nam Hermanus geen genoegen mee. 'Ik heb de naam van mijn kapiteijn altijd durven noemen,' roept hij stoer. Schoorvoetend mompelt La Hey dat hij onder het commando van de heer Booser viel. Hermanus gelooft zijn oren niet: 'Daar heb ik ook meede gediend!'

Heftige woordenwisselingen
De sfeer slaat om en er volgt een verhitte discussie. 'Dat liegt gij als een schelm!' (schurk) roept La Hey uit. Vervolgens draait hij zich om naar zijn makker Dublesie en zucht geërgerd: 'Het sijn hier allemaal patriotten als in Arnhem en Nijmegen!'
Op dat moment was er in Nederland een strijd gaande tussen de patriotten en de orangisten, die trouw bleven aan stadhouder Willem V van Oranje-Nassau. De twee canoniers moesten kennelijk niets hebben van die vrijgevochten patriotten.

Flessen en sabels
Die beschuldiging liet Jan van Geffen niet zomaar over zijn kant gaan: 'Gij hebt de verkeerde voor, ik heb den Prins gediend (...) Daar heb ik mijn eerlijke paspoort voor.' La Hey daagt Jan meteen uit om het te bewijzen: 'Gij sijt een schelm als gij ze niet gaat haalen.' Maar Van Geffen gehoorzaamt niet...

Woedend slaat La Hey hem vervolgens de pijp uit de mond en de hoed van 't hoofd. Maatje Dublesie staat hem terzijde en trekt zelfs zijn sabel uit zijn schede! 'Man, laat dat steecken, dat komt hier niet te pas!' roept Peter de Ruyter verschrikt uit. Aarzelend legt Dublesie zijn wapen weg. 'Het is mijn hetselfde off ik er een capot maak off dat sij mij capot maaken, ik gaa toch naar het veld toe,' licht de soldaat somber toe.

De mannen gaan met elkaar op de vuist!
De eerste die hier 'aktie' maakt, hoe dan ook, gaat hier de deur uit, laat herbergier Cornelis Janssen resoluut weten. Meteen daarna gaat het helemaal mis. Jan van Geffen staat op en wil vertrekken, maar La Hey verspert hem de weg. Jan geeft hem een stoot, waardoor hij achterover valt. De canonier krabbelt overeind en slaat Van Geffen met een fles in het gezicht, waar een 'bloedigen wonde' ontstond.

Dans- en zoenpartijen
Voordat de ruzie écht uit de hand loopt, verlaat La Hey de herberg en de rust keert weer terug. De drie vrienden zijn uiteraard geschrokken, maar bleven toch nog geruime tijd hangen. Er kwamen die avond 'geene andere onbetaamlijkheeden' voor, 'tensij men daarvoor wilde houden een vreedige en vriendelijke dansparthij en het opendelijk soenen van een zeker vrouwspersoon door den canonier Dublesie, die hetselve meede ter herberge gebragt had.'

Het werd toch nog gezellig in de herberg. Misschien wel iets té gezellig...

Natuurlijk weet ik niet wat de herbergier van deze 'dansparthij' heeft gevonden of dat Dublesie wellicht iets te ver is gegaan in zijn avances naar dat 'vrouwspersoon.' Toch zou ik een beetje romantiek en een paar liederlijke dansjes verkiezen boven foeterende mannen, die met elkaar op de vuist gaan...

Geschreven door:
Lisette Kuijper  

Vind je dit leuk? Lees dan ook:
Schijt aan den Koning!
Cynisme, geldzucht en 'n hooivork in de borstkas

De beste verhalen via e-mail ontvangen?
 

maandag 25 mei 2015

Vijf en twintig Bossche hoertjes in één brief #HistoryPost

De Pijp. Marktstraat gezien vanaf hoek Suikerstraat met brug over Binnendieze.
Op de prentbriefkaart is abusievelijk de naam Tolbrugstraat vermeld.
(collectie Afdeling Erfgoed gemeente 's-Hertogenbosch, nr. 0006752)

Vroeger kon men ze vast feilloos aanwijzen, maar in onze archieven zijn ze tegenwoordig maar lastig terug te vinden: illegale bordelen. En soms heb je geluk. Een mooie brief voor HistoryPost.

Zo stuitte ik op deze brief, gedateerd 16 januari 1881, van de Bossche diender Van Goor, die belast was met toezicht op en ontsmetting van logementen waarvan publieke vrouwen in ’s-Hertogenbosch gebruik maakten. De brief is gericht aan de commandant van het militaire garnizoen in de stad, die zijn militairen blijkens de brief een bordeelverbod had opgelegd. Dat was niet zomaar, dat was in het landsbelang! Militairen waren in garnizoenssteden als Den Bosch trouw afnemer van de diensten van prostituees, maar liepen daarmee ook grote kans op besmettelijke (geslachts)ziekten.

In de brief legt Van Goor aan de garnizoenscommandant uit dat die maand geneeskundige controles zijn gestart en dat “de Geneesheer met dat onderzoek belast heeft verklaard, dat van de vier en twintig door hem onderzochte vrouwen, twaalf zijn behebt gevonden met venerische ziekte, van welke besmette vrouwen elf in het zieken gasthuis alhier worden verpleegd; terwijl één besmette vrouw onze gemeente naar elders heeft verlaten.” Kortom, de helft van alle onderzochte prostituees bleek ziek, maar gelukkig voor de militairen was het besmettingsgevaar inmiddels geweken en kon men weer veilig naar de Bossche hoertjes. Weetje: tussen 1881 en 1884 kelderde het percentage gevallen van venerische ziekte onder de Bossche soldaten van 12,3 naar 5,1%! Ongetwijfeld tot grote tevredenheid van hun commandant.

Voor het garnizoen verboden
Maar naast het relaas over deze officiële bordelen maakt Van Goor ook melding van een illegaal bordeel, ter waarschuwing aan de commandant: “Intusschen komt mij als zéér gewenscht voor, dat ofschoon de mede verboden tapperij van de herbergierster Grietje Kloots, in de tolbrugstraat alhier, niet als bordeel officieel bekend, voor het garnizoen verboden blijft; omdat zij met grond wordt verdacht gehouden binnen hare woning aan bezoekers gelegenheid te geven gemeenschap te hebben met zoogenaamde baan of straatmeiden, die niet aan het geneeskundig onderzoek onderworpen zijn.

De Tolbrugstraat (gelegen tussen de Markt en de Zuid-Willemsvaart) lag in een wijk die in de volksmond ook wel ‘de Pijp’ werd genoemd. Het was van oudsher al een buurt vol winkeltjes, herbergen en bordelen, zeker toen in 1840 de gemeente ’s-Hertogenbosch besloot om de legale prostitutie in deze straat te concentreren. Dat zou in de rest van de stad minder overlast moeten geven. In deze wijk bevond zich trouwens ook de Tolbrugkazerne, die pas in 1892 zijn functie verloor.

En in deze straat bevond zich dus ook de herberg van Grietje Kloots, die daarin een illegaal bordeel bestierde, als we Van Goor mogen geloven. Hoe dan ook een mooi startpunt in de archieven om verder op zoek te gaan naar dit illegale bordeel. Te beginnen bij de archieven van de rechtbank. De naamindex van het BHIC op criminele vonnissen maakt alvast melding van een Grietje Kloots, in 1889 veroordeeld voor – dat is nou jammer – diefstal. Maar wie weet?

Onder de rokken
Volgens het vonnis is deze Grietje 45 jaar oud, geboren in Rotterdam, ventster en zangster van beroep. Ene C. Herwaarden ontmoet Grietje in een herberg aan de Brede Haven, waar ze liedjes zingt. Hij verklaart “dat hij ongeveer tegelijk met beklaagde die herberg verliet en langs de haven opwandelende met haar in een straatje gegaan is, dat zij daar elkander vast hebben gehouden, en hij beklaagde, onder de rokken gevoeld heeft.” Maar toen Grietje riep dat er volk aankwam en ze elkaar verlieten bleek naderhand zijn portefeuille gerold. Herwaarden ging haar achterna en vond Grietje in de Tolbrugstraat.

Nou goed, voor de rechter verklaarde Grietje dat er allemaal niks van het verhaal klopte, maar uiteindelijk werd ze niet geloofd en moest ze een maand zitten. Bovendien zijn er dus verschillende aanwijzingen dat het zowel in de brief als in het vonnis wel eens om dezelfde Grietje Kloots zou kunnen gaan... En los daarvan laten de oude archieven ons toch weer een sfeervol beeld schetsen van het nachtelijk leven van toen!

Christian van der Ven

Als je dit interessant vindt, lees dan ook:
- Over ontucht en andere onzedelijkheden
- Vunzige verklaringen

maandag 2 februari 2015

Naar het 'velt', naar den Rus!

Ploeteren door de sneeuw rond Moskou. De meesten zouden de tocht niet overleven...
De arme Johannes Ermers is via Den Bosch, Amiens en Mainz terechtgekomen in een lange mars door Duitsland en Polen. Als soldaat in het leger van Napoleon trok hij in oktober 1812 samen met bijna 700.000 man naar Rusland. Inmiddels heeft hij Warschau bereikt en daar vandaan schrijft hij  zijn laatste brief die zijn geliefden heeft bereikt. Ga mee op het laatste stukje van deze hachelijke onderneming...

'Een ongeloovig lant'
Johannes laat gelukkig als eerste weten dat hij nog 'vris en gesont' is en dat hij in een goede staat verkeert. De tocht door Duitsland is de zeer gelovige katholiek echter wel zwaar tegengevallen, want het blijkt een 'ongeloovig lant' te zijn: alleen maar Luthersen en bijna geen heiligenbeeld te vinden! Met weemoed denkt hij terug aan Mainz, waar hij altijd tijdens zijn wandelingen door de straten omhoog keek 'wie dat het moijsten beldeken (mooiste beeldje) voor de deur had staan.'

'Poolen, een aardig lant'
In Berlijn heeft Ermers een dag 'stilgelegen, met de Sint Hubertse kermis' (!), maar toen moesten ze toch echt verder, op naar Polen. Gelukkig een 'aardig lant' volgens Johannes. 

Gekerm in de kerk
Het leger trok een hele dag door een groot bosgebied tussen Pruisen en Polen, waar bijna geen huizen te zien waren. Zodra ze het bos uitstapten, was alles plots veranderd: 'het eerste dorp waar wij kwaamen daar vont ik weer een schoon beelt en een kruijs op den tooren,' meldt Johannes tevreden.

De kerken in Poolen zijn zó mooi: 'den schoonsten altaar bij ons, zoo is daar den lelijksten.' Bovendien is het volk daar zeer eerbiedig, want zij vallen bij iedere mis 'met het aangesigt plat op den gront' en de hele kerk is vol van het 'gekerm', dat bij de gebeden opstijgt.

Deze brief werd in Warschau geschreven, maar liefst 325 uur verwijderd van Sint Hubert!
Ermers schrijft ook over de vreemde Poolse gebruiken, die hij tegenkomt rond Warschau. Zo lopen alle kinderen 'schier naakent' rond en eten de varkens gewoon mee in huis! Volgens hem is het daar al net zo 'kout' als thuis. Waarschijnlijk waren de Nederlandse winters begin 19e eeuw kouder dan nu het geval is...

Oefenen met 'kruijt'
Maar er moest ook gewerkt worden in het koude Polen: 'Wij hebben vandaag den 31 gevuurt met kruijt, dat het so krakte, dat was om te leeren,' zo schrijft Ermers. Napoleon liet er dus geen gras over groeien en zorgde ervoor dat zijn rekruten gedrild werden in voorbereiding op een zware veldslag in Rusland. Ondertussen waren Johannes en zijn geliefden in Sint Hubert maar liefst 'drie hondert en 25 uuren' van elkaar verwijderd...

Oefening baart kunst...
Vermiste soldaten
Van Johannes Ermers ontbreekt na deze laatste brief ieder spoor. Hij duikt nergens op in onze genealogische bronnen, maar er is ook niets bekend over zijn dood. Johannes was niet de enige. Waarschijnlijk hebben ruim duizend jongemannen uit Noord-Brabant de veldtocht naar Rusland meegemaakt en slechts een enkeling is teruggekeerd. Honderden families hebben dus lange tijd tussen hoop en vrees geleefd, maar de meesten hebben nooit meer iets gehoord van hun zoon of broer. Ook de familie Ermers uit Sint Hubert heeft dit grote verlies moeten verwerken. Johannes Ermers is waarschijnlijk nooit uit Rusland teruggekeerd...

'Tot in der eeuwigheijt'
Johannes zelf was niet bang voor de dood, integendeel. Hij heeft er namelijk nog 'geen verdriet' van gehad dat hij daar zal moeten sterven, want dan 'verbleijt sig den geest.' Mocht hij toch thuiskomen, dan 'verbleijt sig den natuer.' De jonge soldaat accepteerde dus heel nuchter de kans dat hij de veldtocht niet zou overleven en hij zag er naar uit zijn geliefden terug te zien in de hemel.
Johannes neemt misschien wel voor eeuwig afscheid en gaat 'na het velt na den Rus'!
Tot slot neemt hij afscheid van zijn geliefden: 'Nu vrindelijk gegroet, lieve susters en zwaager en alle bekende en vriende, misschien tot in der eeuwigheijt (...) Ik ga nu na het velt, na den Rus (...)' Op dit Russische 'velt' heeft Johannes Ermers hoogstwaarschijnlijk zijn laatste adem uitgeblazen...

Lisette Kuijper

Vind je dit interessant? Lees dan ook:
Op oorlogspad naar Rusland!
'Een dal der traanen'

 

maandag 26 januari 2015

'Een dal der traanen'

Johannes Ermers uit Sint Hubert diende als voltigeur in het leger van Napoleon
Vorige week kon je lezen hoe de 22-jarige Johannes Ermers uit Sint Hubert in 1812 werd opgetrommeld voor het leger van Napoleon en hoe hij in Amiens terechtkwam. Inmiddels is het enkele maanden later en doet hij aan de pastoor verslag van zijn belevenissen op zijn tocht van Frankrijk naar Duitsland, die hem heeft gevoerd naar 'heijlige plaatsen' maar ook naar een waar 'dal der traanen...'

Gewapend naar de kerk!
Zoals we van Johannes gewend zijn, begint hij zijn brief, die deze keer aan de pastoor van Wanroij gericht is, met een opsomming van prachtige kerken en missen die hij heeft bijgewoond, met name in de Duitse stad Mens (waarschijnlijk het huidige Mainz). 

Johannes verwondert zich over vele missen, 'schoone kerken' en...het 'hooft van Johannes Babtist'!
Na een lange voettocht is soldaat Ermers aangekomen in Mens en wonder boven wonder vindt hij daar een biechtvader. Bovendien mag hij met Pinksteren een processie meemaken, waar hij 'gewaapent' en stokstijf in de kerk moest staan, met zijn 'hoet over de oogen' en het geweer in de hand. Dit heeft hem jammer genoeg wel belet om de mis goed te kunnen horen!

In de 'schoone Biskopskerk' heeft hij zelfs het 'hooft van Johannes Babtist' kunnen aanschouwen, 'jaa zijn eijgen hooft!' roept Ermers uit. Verder bewondert hij de vele heiligenbeelden die op elke hoek van de straat te vinden zijn.

'Dal der traanen'
Toch heeft Johannes het ook zwaar. Hij heeft 85 uur moeten marcheren voor hij 'Vrankrijk' uiteindelijk achter zich kon laten en nog eens 40 uur voor hij de Duitse stad Mens bereikte. Tot zijn grote schrik heeft hij hoogstwaarschijnlijk nóg eens 200 uur stevig doorwandelen voor de boeg. Men zegt namelijk dat ze naar 'Barlin' gestuurd zullen worden!

Een loodzware tocht...
Ermers komt niets te kort schrijft hij, maar hij wil toch uit het 'dal der traanen ontslaagen worden'. Ze krijgen niets van de 'luij van dit lant' en moeten dus voor hun eigen eten zorgen. Ze exerceren maar liefst zes uur per dag en de lange tocht naar Rusland moet ook niet aanlokkelijk geweest zijn. Toch zat er niets anders op...

Makkers voor het leven!
Er zullen vele tranen zijn weggepinkt, vast ook door Johannes Ermers en zijn strijdmakkers. Slechts 20.000 van de bijna 700.000 soldaten die in 1812 met Napoleon naar Rusland trokken, overleefden de barre tocht. In de eerste brief beschreef hij het eerste sterfgeval uit Sint Hubert al, namelijk Hendrikus Eijbers: 'Nu zal Drik niet meer schrijven, voor dat hij stil ligt.'

Nog één strijdmakker overgebleven...
Gelukkig heeft Johannes in zijn tweede brief nog één lotgenoot bij zich, die met hem 'uijt den bos' (Den Bosch) was gegaan, namelijk Derk Ruskens. 'Wij zijn als gebroeders bij malkaar', zo schrijft Ermers en in Mainz zijn zij alletwee ingekwartierd als 'voltisuurs', ook wel voltigeurs genoemd. Dit waren lichte infanteristen, vaak wat klein van gestalte, die werden ingezicht als schutters. Johannes en zijn makker Derk zouden snel moeten vertrekken, richting Berlijn, op naar Polen en uiteindelijk Rusland.

Volgende week: Naar het veld, naar de Rus!
Er is nog één brief over van Johannes. Ben je benieuwd naar zijn ontberingen in Polen, vlak vóór de Russiche veldtocht? Lees dan volgende week weer met ons mee!

Lisette Kuijper

Vind je dit interessant? Lees dan ook:
- Op oorlogspad naar Rusland!
- Elselina Versfelt uit Lith: avonturierster onder Napoleon


maandag 19 januari 2015

Op oorlogspad naar Rusland!

Ploeterde soldaat Ermers met dit tenue door de sneeuw van Warschau?
Wie denkt dat de Tweede Wereldoorlog de enige oorlog was, die grote impact heeft gehad op ons land, heeft het mis. Ook begin 19e eeuw moesten vele Hollandse jongemannen het ontzien. Zij werden zonder pardon ingelijfd bij het grote Napoleontische leger, dat in 1812 bestond uit ruim 600.000 man! Ga mee op een barre veldtocht naar het koude Rusland met één van die soldaten, van wie drie unieke brieven bewaard zijn gebleven...

De plicht roept!
In 1810 werd Nederland onderdeel van het Franse Keizerrijk en Napoleon vond het welletjes: de Hollanders hadden lang genoeg genoten van hun vrijheid! Meteen voerde hij de dienstplicht in en tienduizenden jongemannen werden opgeroepen om in de Franse legers te dienen.

De eerste brief van Ermers, nog geschreven vanuit Amiens
Eén van die arme soldaten was Johannes Ermers, afkomstig uit Sint Hubert en daar geboren in 1790. Hij was dus pas 22 jaar oud toen hij op 6 maart 1812 vanuit Den Bosch vertrok naar Amiens. In de eerste brief beschrijft hij zijn belevenissen tijdens deze tocht door België.

Een vrome soldaat
Soldaten roepen vaak het beeld op van brassende dronkenlappen, wiens taalgebruik op zijn zachtst gezegd nogal grof genoemd mag worden. Misschien geldt dit voor de meeste infanteristen, maar zeker niet voor Johannes Ermers!

Oei, oei...een mis gemist!
Zo begint hij zijn brief niet met het klagen over zijn lange reis of over de eindeloze militaire oefeningen, maar spreekt hij zijn zussen en zwagers als volgt toe: 'Wilt over mij niet meer weenen, maar weent over uwe ende mijne zonde en oover de zonde van de geheele weereld, die zeer veel zijn.'

Het slot van de brief: groetjes aan alle pastoors!
In het grootste gedeelte van zijn brief beschrijft hij de 'schoone' kerken van België en de missen die hij heeft bijgewoond. Op 19 april werd hij echter gedwongen om met zijn geweer op onderzoek uit te gaan voor de 'groot mayoor, hetwelk mij heeft belet mis te hooren, het was sondig, het welk mij heeft verdriet aangedaan.' Verder spreekt hij in zijn brief ook de pastoor aan en klaagt hij over het feit dat hij 'soo wijt' van de kerk af is, wel een kwartier! Bovendien moet hij 's ochtends eerst 'erpel' (aardappels) schillen en exercieren, voor hij zich eindelijk aan het gebed kon wijden.

Een 'duer leven'
Naast alle missen die Johannes heeft bijgewoond, doet hij ook uitgebreid verslag van alle uitgaven die hij heeft gedaan. Hij klaagt steen en been over het 'duere leven'; hij moet zelf zijn boter en eieren kopen of hij moet droog brood eten! Bovendien was er een 'kurperaal' die het geld van zijn soldaten in zijn eigen zak hield!

Volgende week: massieren en exercieren door Duitsland!
Soldaat Ermers sluit zijn brief af door de groetenis over te brengen aan 'alle goede vrinden en bekende, voor namentlijk aan mijnheer pastoors' van Sint Hubert, Mill en Wanroij! Maar wier naam prijkt ook onderaan dit lijstje? De 'meijt van mijn heer pastoor'! Zou hij misschien toch een vriendinnetje in Sint Hubert hebben achtergelaten? Volgende week volgen we Johannes verder op zijn tocht van Frankrijk naar Duitsland...

Lisette Kuijper

Vind je dit interessant? Lees dan ook:
- Napoleon verlaat Nederland via Grave
- Graafse logies- en serviesgelden

Het vervolg:
- 'Een dal der traanen' 
- Naar het 'velt', naar den Rus! 

woensdag 15 oktober 2014

Vunzige verklaringen

De niet altijd even discrete soldaten worden aan de tand gevoeld...
Vorige week lazen we hoe 'Schele' Sibilla een rechtszaak aanspande tegen jonkman Petrus Bufflée uit Boxmeer. De schurk zou zich uit de voeten hebben gemaakt, nadat hij Sibilla had 'beswangert' en hij zou zelfs een andere vrouw ten huwelijk hebben gevraagd! De geestelijke rechters van Cuijk buigen zich deze week over de zaak en ontdekken via enkele niets verhullende verklaringen van soldaten de andere kant van het verhaal...

Ontslagen!
Nog vóór Petrus Bufflée ten tonele verscheen, was Sibilla in dienst bij ene Harlingh Derkx. Hij verklaart dat Sibilla wel érg populair was bij de soldaten die rond Boxmeer gelegerd waren. Verschillende makkers meenden dat zij, wanneer zij 'eene schilling' over hadden, dat ze die bij zijn dienstmeid wel kwijt konden. Deze roddel ging als een lopend vuurtje door Boxmeer: Harlingh Derx had een hoer in huis! Meteen liet hij Sibilla 'buijten dienst en sonder eenigh loon te betaelen' vertrekken...

Na de heer Derkx waren de soldaten Antoon Gerritse en Johannes Engels aan de beurt. Zij werden hevig aan de tand gevoeld door de geestelijke rechter. Bovenstaande afbeelding bevat enkele vragen die hun voor de voeten werden geworpen. Zo blijkt dat Petrus Bufflée, tijdens een reis naar Boxmeer, zijn handen over verschillende lichaamsdelen van Sibilla heeft laten gaan. Maar daar bleef het niet bij...

'Mannelijckheijt'...
Ook Sibilla kon niet van haar Petrus afblijven...
De soldaten verklaren verder dat Sibilla de aanrakingen en liefkozingen zeker niet geweigerd heeft, maar dat zij er zelfs 'wel mee gedient' was! Van een verkrachting was dus geenszins sprake. Bovendien, ook Sibilla hield haar handjes niet thuis. Zo betastte zij de jonkman in zijn 'voorbroek' en wist zij uiteindelijk zelfs zijn 'mannelijckheijt' te vinden.

Die verdraaide boer en het 'vrouwmens' verpestten het feestje!
Is er meer gebeurd in de velden rond Boxmeer? Volgens Sibilla wel, maar de soldaten zijn hier niet zo zeker van. Het was zeker Petrus' voornemen om 'vleeselijkcke conversatie' te hebben, maar hij werd hierbij gehinderd door een boer die ploegde en een vrouwmens, die vanuit Venlo langskwam. Jammer Petrus, de volgende keer beter... Of niet?

Weer mis!
Niet Petrus, maar Sibilla zélf waagde die nacht erna nog een poging. Zij sloop naar zijn kamer, waar één van de soldaten ook overnachtte, en lag vervolgens 'naa en op het bedt' van Petrus. Volgens de ondervraagde soldaat is er daar wel degelijk iets gebeurd (lees onderstaande afbeelding maar voor de expliciete bewoordingen), maar was het Sibilla, die 'uijt vrees van dat het de vrouw van het huys soude horen van hem affgingh', maar wel onder de belofte dat ze weer bij hem terug zou komen.

Nogmaals een mislukte poging, zeer expliciet verwoord...
Dé hamvraag is natuurlijk: is zij die nacht weer bij hem in bed gekropen? Jammer genoeg kon de soldaat daarop geen antwoord geven. Hij verklaart wel nogmaals dat Petrus Sibilla bij haar 'vrouwigheijt' heeft gehad, maar dat de soldaat daarna in slaap is gevallen en dus niet kan vertellen of er meer is gebeurd in de Steenstraat die nacht...

Volgende week: bemoeizuchtige buurvrouwen
Het is duidelijk: deze soldaten laten niets over van het beeld van een kuise, zielige vrouw, die na een verkrachting door haar verloofde wordt achtergelaten. Sibilla's reputatie was dus niet al te best. Dat blijkt volgende week des te meer, als we zien hoe verschillende buurvrouwen ondervraagd worden, die ook een boekje open doen over het duistere verleden van 'Schele Sibil'...

Lisette Kuijper - medewerkster studiezaal Grave

Vind je dit interessant? Lees dan ook:
Zo moeder, zo dochter? 
'Ick sal U noijt verlaaten'

maandag 17 maart 2014

Graafse logies- en serviesgelden

Eerste pagina van de serviesrekening uit 1629

Vorige week heb je kunnen lezen over mijn onderzoek in de stadsrekeningen van Grave in het kader van mijn afstudeerscriptie Archiefwetenschap. Dit keer duiken we nogmaals het Graafse stadsarchief in, maar nu kijken we naar de documenten die iets te maken hebben met de militaire  taken van het vestingstadje.

In de scriptie stond de vergelijking van alle inventarissen van het Graafse stadsarchief centraal. Maar hoe doe je dat? Eén manier was het analyseren van alle documenten van één werkproces, om vervolgens te kijken op welke manier latere archivarissen om zijn gegaan met deze documenten. Hoe hebben zij de stukken beschreven en geordend? Hieronder volgt een aantal voorbeelden van stukken die uit dit militaire werkproces zijn voortgekomen.

Servies- en logiesgelden?
De officiële naam van het proces is 'de ontvangsten en distributie van logies- en serviesgelden.' In modern Nederlands betekent het dat er wordt gekeken naar de ontvangsten en verspreiding van de vergoedingen die burgers ontvingen voor het onderbrengen van soldaten (logiesgelden) en de lonen die officieren en soldaten betaald kregen (serviesgelden).

Deze handelingen zijn onder meer vastgelegd in een serie serviesrekeningen, die in Grave in 1602 begint. Hieronder zie je twee voorbeelden van dergelijke rekeningen, één uit de periode 1627-1629 en één uit 1662-1665. Het verschil in omvang van de rekeningen is te verklaren door de toename van het aantal oorlogshandelingen tijdens de  Tachtigjarige Oorlog en de afname daarvan na de Vrede van Münster in 1648. 

De omvangrijke serviesrekeningen uit 1627-1629

De compacte rekeningen uit de periode 1662-1665 na de Vrede van Münster

Inkwartiering
Tot en met begin 19e eeuw gingen de Graafse burgers gebukt onder de last van de aanwezigheid van vele militairen. De meeste burgers werden namelijk gedwongen slaapplaatsen aan de soldaten aan te bieden. Hiervoor kregen zij uiteraard een vergoeding, de zogenaamde logiesgelden, van de Raad van State. Deze logiesgelden werden door het stadsbestuur namens de Raad uitgekeerd en dit resulteerde vaak in onenigheid over achterstallige betalingen.

Om de vergoedingen te ontvangen, werd per gezin bijgehouden hoeveel soldaten er waren ondergebracht op zogenaamde logiesbriefjes. Hieronder een voorbeeld van dergelijke briefjes, waarbij ook duidelijk de schade te zien is, veroorzaakt door de brand op het gemeentehuis in 1902.

Een verzameling logiesbriefjes uit begin 19e eeuw

Eindelijk: kazernes!
De burgers begonnen steeds meer te klagen over de vele militairen die de stad moest herbergen. Op een gegeven moment, in 1629, waren er maar liefst 4000 militairen in Grave gelegerd, terwijl het vestingstadje zelf slechts 2000 inwoners telde! Steeds meer stemmen gingen op voor het bouwen van kazernes. Onderstaande notitie van het stadsbestuur laat het overschot aan militairen goed zien. Hiermee wilden de bestuurders aan de hogere autoriteiten de penibele situatie duidelijk maken en zo toestemming vragen voor de bouw van kazernes. Uiteindelijk werd deze toestemming in 1743 door de  Raad van State verleend. Helaas was de capaciteit van de kazernes niet altijd groot genoeg, waardoor sommige burgers opnieuw tot inkwartiering van soldaten werden gedwongen.

Notitie van het stadsbestuur in 1742 met een opsomming van het aantal huizen (309) en het aantal gelegerde militairen (rond de 1500) in Grave

Volgende week: de oudste inventarissen
Bovenstaande documenten zijn beschreven en geordend in verschillende inventarissen. Volgende week zal ik de oudste inventarissen bespreken. Hoe gingen de Graafse secretarissen uit de 17e en 18e eeuw om met deze archiefstukken? Niet altijd even zorgvuldig, zoals zal blijken...

Vind je dit interessant? Lees dan ook:
Alarm aan de Maas
Ton bier en 'n gevangen schout: cloveniers in Grave

zaterdag 21 november 2009

Eerste Twitteraar: soldaat Ermers uit Mill

Historisch openluchtspel in Erp

Hij zit aan het front in Warschau in Polen in 1812 en schrijft brieven aan het thuisfront in Mill. Dat mòet haast wel spannende verhalen opleveren, zou je denken. Maar nee hoor, soldaat Ermers schrijft bijna uitsluitend over zijn dagelijkse beslommeringen. Berichten die niet zouden hebben misstaan op het hedendaagse Twitter.

Wat te denken van de prijs van zijn reis naar Warschau (vier gulden en vijf stuivers)? Of hoeveel borstels hij heeft moeten kopen voor het onderhoud van zijn kostuum? "Daar heb ik voor moeten koopen 3 borstels, eenen voor de schoenen die is van twee kanten, om droog af te doen en om te smeeren, en eenen voor de kleer, en eenen om de knoopen te schoenen en een smeerdoos en twee kammen en vet en zwartsel." Oké, hij houdt zich niet aan de 140 tekens die bij Twitter als limiet zijn gesteld maar ondanks het feit dat hij per brief vier kantjes volkrabbelt, lijken zijn mededelingen op huis-tuin-en-keuken geneuzel.

Tussen de regels wordt het duidelijk dat Ermers vrijwillig het leger is ingegaan en vervolgens via het Franse Amiens naar Warschau is vertrokken. De Millse soldaat blijkt vooral een vroom man die hoopt dat "gij lieden veel voor mij bidden", het over de schoonheid van de kerken heeft en de manier van bidden in Polen. "Dan bidden zij den heer kermende, zo dat het een geheel gekerm in de kerk is."

En net als je denkt dat Ermers niets inhoudelijks gaat melden, komt het dan toch; als hij Polen beschrijft. "Dat is een aardig land, daar zijn geen stoelen en niet als houteren lepels, geen klompen, geen schoenen, daar is niet als laarsen, het loopt daar nog barrevoets. De kleijne kinderen nog schier naakent en het is daar al zoo kout als bij ons. En ik ben van huijs af driehonderd en 25 uuren."

Foto: Historisch openluchtspel in Erp waarbij 150 jaar Koninkrijk werd gevierd, 1963