Posts tonen met het label Leny van Lieshout. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Leny van Lieshout. Alle posts tonen

woensdag 12 februari 2014

Ton bier en 'n gevangen schout: cloveniers in Grave

...Floris van Egmond...
Helaas is er ondanks intensief speurwerk in de oude Graafse archieven nauwelijks iets terug te vinden over wapenfeiten van de Graafse Cloveniers, de schutterij die in 1527 door Floris van Egmond werd opgericht. Dat hangt waarschijnlijk samen met het ontbreken van bronnen uit de zestiende eeuw. Resoluties, stadsrekeningen en rekeningbewijzen uit die tijd zijn er niet (meer).

Door aantekeningen in de rekeningen over de jaarlijkse toelage voor een ton bier die de schutters van het stadsbestuur kregen, was het mogelijk vanaf 1602 over een kleine anderhalve eeuw een lijst van gezagsdragers binnen de schutterij te maken. Die toelage bewijst dat de Cloveniers ook toen actief waren, al was het maar om de eer: het gildezilver legt daar duidelijk getuigenis van af. In de boeken waarin de besluiten van het stadsbestuur werden opgetekend, worden de Cloveniers maar één keer vermeld.

In twee krijgshaftige optredens stonden ze toen pal voor de Graafse kleuren. De bron van het probleem was de collecteur van de Kleefse Maastol in Ravenstein, Marcelis de Wyse. Schippers met een burgerbrief van Grave hadden op diverse plaatsen vrijheid van tolheffing. Soms werd die echter betwist. In 1609, kort na het begin van het Twaalfjarig Bestand, hadden Graafse schippers grote moeite hun vrijheid in Ravenstein bevestigd te krijgen. Klachten bij de verantwoordelijke Kleefse autoriteiten leidden niet tot een oplossing en een juridische procedure evenmin. Toen De Wys in 1611 Graafse schepen in beslag nam, was het stadsbestuur dan ook woedend.

...wapen Cloveniers...
Als de schepen niet onder borgtocht vrij werden gegeven, zo liet het dreigen, zouden ze gewapenderhand door de Cloveniers worden gehaald. De onderhandelingen die daarop in gang kwamen, met hulp van prins Maurits als erfheer van Grave, sleepten aan zonder oplossing. In oktober 1613 werd er weer een schip in beslag genomen, waarna de Cloveniers eropuit werden gestuurd om het op te brengen naar Grave. Dat lukte, maar ze brachten ook de tollenaar mee.  In Venlo en Roermond, eveneens Maasschipperscentra, vond dit bericht een juichend onthaal. Maar het stadsbestuur was zenuwachtig: het stuurde brieven en zelfs een rapporteur naar de prins om achteraf zijn toestemming te krijgen voor deze raid.

Het lijkt er zelfs op dat het door de actie van de Cloveniers was verrast en dus meer had gekregen dan het had besteld. In Ravenstein werd als tegenactie een Graafse burger vastgezet. De Cloveniers kregen vervolgens de opdracht twee of drie Ravensteiners naar Grave te ontvoeren. Ook dat lukte, wonderwel zelfs: in de Graafse netten bleef naast een gewone burger niemand minder dan de Ravensteinse schout achter. Nu was het de beurt aan de diplomatie. In onderhandelingen op Caldenoort, waar het Land van Cuijk en het Land van Ravenstein samenkwamen, werd uiteindelijk tot een gevangenenruil besloten. De onderliggende kwestie werd op 26 april in ’s-Gravenhage geregeld: de Graafse schippers moesten gaan betalen, maar wel volgens een speciaal tarief. Hadden de Cloveniers hiermee hun kruit verspeeld? Als we de secretarissen van Grave mogen vertrouwen, was er daarna althans geen aanleiding meer om over ze te schrijven.

Deze tekst is van de hand van gastblogger Leny van Lieshout. Ben jij ook op een mooi verhaal gestuit tijdens je genealogische of historische onderzoek? En wil je dat verhaal delen? Stuur het in! Niet te lang (rond de 250 à 350woorden), illustratie erbij en we plaatsen het op ons weblog. Wie durft? :-)

Vind je dit interessant? Lees dan ook:
- Diederik Paringet
- Societeit tot nut en vermaak


maandag 27 januari 2014

Alarm aan de Maas

...uit het Limburgsch Dagblad 1952 (klik erop voor vergroting)...
Als vroeger de Maas overstroomde in de Beerse Overlaat, werd er in Grave een kanon gelost om iedereen in de wijde omgeving te waarschuwen (een bewijs hoe stil het vroeger was). Vóór de ontmanteling van de vesting Grave in de jaren tachtig van de negentiende eeuw was dat een simpele zaak: kanonnen te over. 

Daarna werd het moeilijker. Hoe het precies geregeld was, weten we niet, maar zeker is dat er rond de jaren twintig in Grave twee kanonnen gereed stonden voor dat belangrijke schot. Het waren twee Franse kanonnen:  l’Intriguant, uit 1778, en Le Partisan, uit 1787. Ze waren kennelijk buitgemaakt in de Franse tijd. Tegenwoordig staan ze op een in ere hersteld rondeel in de Maasmuur, maar uit een tekening uit 1920 blijkt dat ze toen waren opgesteld aan de loswal, ver voorbij die muur (zie tekening hieronder). 


Deze zogenaamde seinposten, opgesteld en onderhouden door het Ministerie van Oorlog, verloren hun functie na de kanalisatie van de Maas in de jaren twintig van de twintigste eeuw. Burgemeester en wethouders van Grave wisten in 1926 te regelen dat de kanonnen met affuiten en al in Grave bleven staan. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn ze door de gemeente veiligheidshalve in de grond ingegraven. Een poging in 1949 om ze te claimen voor het Legermuseum werd door Burgemeester en wethouders vriendelijk maar zeer beslist afgeslagen. 

Wanneer ze op het rondeel zijn beland, was tot nu toe niet terug te vinden. Ze staan er vooral krijgshaftigheid uit te stralen: met Grave valt niet te spotten! Zo’n houding roept eerbied op, maar ze werkt ook uitdagend, uitdagend genoeg voor het Brabantse studentengilde van Onze Lieve Vrouw, op kamp in Cuijk om daar een serie culturele activiteiten te realiseren. In de nacht van maandag 28 op dinsdag 29 juli 1952 gingen zij er vandoor met Le Partisan, uiteraard zonder een visitekaartje achter te laten. In Cuijk was men opgetogen, in Grave razend. Maar al op dinsdagavond kon De Graafsche Courant in een strooibiljet bekendmaken dat de roof was gewroken. De burgemeester van Cuijk en de praeses van het gilde waren gevankelijk naar Grave ontvoerd met een feestelijke uitruil als doel. Die werd bezegeld in het Oranjehotel van de familie Van Zwam, waar de jenever rijkelijk vloeide. Op woensdagochtend 30 juli om 2 uur, nog voor het krieken van de ochtend dus, werd het kanon in triomf teruggevoerd naar zijn standplaats aan de Maas (waar het affuit was achtergebleven). 
...uit de Graafsche Courant, 1 augustus 1952 (klik erop voor vergroting)...
Vanuit Roermond telegrafeerde mevrouw P. Ficq de Graafse burgemeester Raaijmakers een passend commentaar: Hulde strategis beleid Graves oude roem gaat nooit verloren – oud Burgemeesterse. De directeur van het Legermuseum kon er echter niet om lachen. Hij stuurde een boze brief waarin hij Raaijmakers kapittelde: Een kanon is voor een artillerist iets heiligs (…) en geen kinderspeelgoed. Hij wilde de kanonnen daarom zelf graag hebben. De burgemeester wist hem echter ervan te overtuigen dat de kanonnen ook voor Grave heilig waren. Het jaar daarop werd de kei bij het Cuijkse gemeentehuis ontvoerd naar Grave en daarmee was de wraak volledig.

Deze tekst is van de hand van gastblogger Leny van Lieshout. Ben jij ook op een mooi verhaal gestuit tijdens je genealogische of historische onderzoek? En wil je dat verhaal delen? Stuur het in! Niet te lang (rond de 250 à 350woorden), illustratie erbij en we plaatsen het op ons weblog. Wie durft? :-)

Vind je dit interessant? Lees dan ook:

maandag 16 september 2013

Het spook van kasteel Tongelaar

...spookachtige verschijnselen op Tongelaar...

Geen echt kasteel zonder een echt spook. Nou, dan heeft kasteel Tongelaar niets te klagen... 

Tongelaar is een afzonderlijke heerlijkheid geweest. Verschillende families hadden het kasteel in bezit, waaronder de heren van Cuijk en de familie Van Merwick. De familie Van Merwick liet nauwelijks sporen achter, maar wel een spook. De paragnosten André Groote en Rob Spijkers namen bij een onderzoek naar paranormale verschijnselen een blonde dame in middeleeuwse kleding waar en ook een zwarte ridder. De dame, zo veronderstelden zij, zou Helwig kunnen zijn, nicht van kasteelheer Herman II; de ridder zou Helwig hebben willen schaken, maar werd onderweg door Herman vermoord, waarna diens bezittingen werden verwoest door de broer van de ridder. 

Dit alles doet onweerstaanbaar denken aan de geschiedenis van Floris de Zwarte, broer van Graaf Dirk VI van Holland, die vergeefs bij Herman I van Cuijk om de hand had gevraagd van diens nicht Heylwig van Rode. In de ruzies die daar het gevolg van waren werd hij in 1133 door Herman en zijn broer Godfried vermoord, waarna heel het Land van Cuijk door Dirk zou zijn verwoest. We weten niet wanneer Groote en Spijkers hun waarnemingen deden, maar het lijkt aannemelijk dat er een verband is met het proefschrift van Jacob Coldeweij over de heren van Cuijk uit 1981; heel de geschiedenis van Floris en Helwig wordt er uitvoerig in uit de doeken gedaan.

En Helwig laat meer van zich horen: in de vorm van zuchten, tikken, lichtflitsen... ze zou zelfs op afdrukken van foto's verschijnen. Via paragnosten liet ze weten wie ze was: een geest die zich identificeerde als Helwig van Merwick, geboren in 1423, gestorven in 1483, getrouwd in 1445 met Willem V, twee kinderen. Ze was eenzaam, zei ze. Is deze Helwig (van Merwick) nog steeds op Tongelaar? Is ze er, na haar dood, echt nog geweest, en gebleven? Had ze inderdaad haar man vermoord en kwam daar zwarte kunst aan te pas? En waarom had ze berouw? Henk Rijnders heeft een boek volgeschreven over gebeurtenissen als deze, maar voor een spook van een dergelijk kaliber heb je toch echt een kasteel nodig (en weinig daglicht; de séance duurde van tien uur ’s avonds tot twee uur ’s nachts). 

Deze tekst is van de hand van gastblogger Leny van Lieshout. Ben jij ook op een mooi verhaal gestuit tijdens je genealogische of historische onderzoek? En wil je dat verhaal delen? Stuur het in! Niet te lang (rond de 250 à 350woorden), illustratie erbij en we plaatsen het op ons weblog. Wie durft? :-)

Vind je dit interessant? Lees dan ook:
het complete verhaal op onze site
- landgoed Tongelaar

woensdag 28 augustus 2013

Horeca aan de Elft in Grave

...fragment uit kaart Hendrik Verhees 1794...
Van de vroegere buurtschap De Elft in Grave aan de doorgaande weg naar ’s-Hertogenbosch is tegenwoordig weinig meer over dan een druk beklant chauffeurscafé. Vroeger, dat wil zeggen vele honderden jaren geleden, waren daar veel horecagelegenheden, strategisch gelegen op de grens tussen het Land van Cuijk en het Land van Ravenstein. Je kon in het Land van Ravenstein, toen een afzonderlijk gebied onder een Duitse vorst, veel voordeliger terecht voor een pul en een glas dan in Grave zelf. 

De Graafse geschiedschrijver Diederik Paringet vertelt dat in 1659 was afgesproken dat er aan Ravensteinse kant maar vier herbergen zouden zijn, maar dat er in zijn tijd, rond  1700, een ware wildgroei was, een smokkelaarsnest zelfs: … als een voorstad van herbergen, daar de kan bier ses duyten minder verkogt wort als in de stad, wyn en brandewyn nae advenant, daar de gemeene man sig dagelyks gaat diverteren; geswegen 't geen van die en andere impost verschulde waaren ter sluyk met kleyne partye wert ingebragt tot merkelyke afbreuk vande neering en ’t welvaaren der stad. 

Bijna honderd jaar later, in de jaren tachtig van de achttiende eeuw, was de voornaamste uitspanning er een zogenaamde ‘sociëteit’, een ontmoetingsplaats voor beschaafde burgermannen die onder het genot van een pijp en een glas en met de krant in de hand de politiek bespraken in  hartelijke gezellig- en soms onenigheid – al dan niet in het gezelschap van dames van bedenkelijk allooi. Deze sociëteit was opgezet door Willem Gerard van Oyen, een vooraanstaand Graafs burger die vlakbij net zijn imposante buiten ‘Hamstein’ had gerealiseerd. Bij het oprukken van de Franse legers  in 1794 werd het gebouw opgeblazen waarna het reddeloos afbrandde. Er is een ooggetuige uit de gloriejaren van deze sociëteit die er uitgebreid over heeft geschreven in zijn dagboeken: Adriaan van der Willigen, later een belangrijk Tilburgs gezagsdrager en schrijver maar toen cadet in het regiment Douglas dat in 1786 in Grave in garnizoen was gekomen. 

In deze dagboeken, kort geleden uitgegeven door L. van der Heijden en J. Sanders (De levensloop van Adriaan van der Willigen (1766-1841) geeft Van der Willigen hoog op van zowel de sociëteit als haar eigenaar: … hetgeen het verblijf daar [in Grave] bijzonder aangenaam maakte was de Societeit van de heer Van Oyen, een quartier buiten de poort op Ravensteinsche bodem gelegen. Hier kwamen bijna alle officieren en de voornaamste burgers uit de stad en deze heer bewees zeer veel vriendschap aan het guarnisoen, gaf van tijd tot tijd dinées, danspartijen etc. (…) Ik las thans nogal veel en, daar het sentimenteele in de mode was, was ik daar nu en dan ook min of meer van aangestoken. De eenoogige, zegt men, is in het land der blinden koning en ik passeerde dan hier ook voor een soort van bel esprit, vooral omdat ik somtijds een vaersje of liedje maakte en dat in de sociëteit voorlas of zong. (…) ik ging [in het voorjaar van 1787] buiten bij de heer Van Ooijen logeeren, die mij verzogt had om een verlof van drie maanden bij hem te passeeren, en uit vriendschap en uit erkentenis, omdat ik zijn kolffbaan, die geheel vol scheuren en onbruikbaar was, in de beste order had laten brengen, nadat men het al meer dan eens vergeefsch had beproefd. Van der Willigen schrijft over een mooi en goed toegerust gebouw, een kolfbaan, aangenaam vertier, volop officieren, volop burgers, een uitstekende, ja zelfs gulle gastheer: het valt te begrijpen dat Van Oyens sociëteit aan de Elft bij menigeen in trek was.

Aan diezelfde Elft lag tot in augustus 1786 ook een herberg waarvan een deel van de geschiedenis bewaard is gebleven: de Oranjeboom, van Abel Abels. Zijn etablissement deed de Oranjes echter weinig eer aan. In 1786 klaagde Andreas de Bons, op dat moment commandant van de vesting Grave, dat er allerlei gespuis verbleef, onder wie vrouwen die zich afgaven met soldaten en ander wangedrag vertoonden, en dat de soldaten die er kwamen bovendien werden aangezet tot desertie. Ook in 1785 waren er daar al problemen geweest. De maatregelen logen er niet om: de herberg werd schoongeveegd, Abels en zijn vrouw werd het bedrijven van horeca verboden op straffe van verbanning en de eigenaresse van het huis kreeg te horen dat ze het niet meer voor dat doel mocht verhuren en dat ze het uithangbord moest verwijderen. Het echtpaar Abels liet zich echter pas in mei 1788 definitief het huis uit zetten. Daarna werd het verkocht – aan Van Oyen, ongetwijfeld met het doel de plaatselijke horeca des te steviger in handen te krijgen. De dagen van diens imperium waren echter snel geteld: heel de Elft en heel zijn grootse buitenplaats gingen verloren bij de opmars van de Franse legers die de Noord-Nederlandse Republiek de revolutie kwamen brengen. Gebouwen en gronden waren betaald met geleend geld, zodat de afwikkeling van Van Oyens schulden nog vele jaren heeft geduurd.

Deze tekst is van de hand van gastblogger Leny van Lieshout. Ben jij ook op een mooi verhaal gestuit tijdens je genealogische of historische onderzoek? En wil je dat verhaal delen? Stuur het in! Niet te lang (rond de 250 à 350woorden), illustratie erbij en we plaatsen het op ons weblog. Wie durft? :-)

Vind je dit interessant? Lees dan ook:

woensdag 10 juli 2013

Zien! Grave verbeeld

...groter zien? klik dan op de afbeelding...

In het Graafs Museum in de Hampoort in Grave (open op woensdag tot en met zondag, ’s middags), is vanaf nu tot 1 september de tentoonstelling ‘Grave verbeeld’ te zien.

Grave was een vestingstad die vaak de speelbal is geweest van strijdende partijen. Er verschenen boeken over die strijd met toepasselijke illustraties en er verschenen losse prenten van, alles om de geschiedenis van al die oorlogen vast te houden, de overwinnaars te bewieroken en hun gelijk uit te dragen. In dit soort afbeeldingen staat uiteraard de strijd centraal; de stad zelf speelt vaak maar een ondergeschikte rol. Maar toch zijn er veel kunstenaars die tussen hun werk als oorlogsillustrator door oog hebben voor het pittoreske van Grave. Zij tekenen niet alleen het geweld, maar ook de stad zelf met haar markantste gebouwen en met heel haar uitstraling. Met wisselend succes waar het de gelijkenis betreft, want lang niet iedereen kende Grave uit eigen waarneming: er is zelfs een prent waarin Grave is getekend als was het een Italiaanse stad, compleet met koepelkerk!
...prent van Grave...
In al deze prenten staat de geschiedenis voorop, maar is de kunst nooit ver weg. Voor kunst om de kunst, Grave om het mooi, moeten we het in de prentenperiode hebben van gezichten op Grave in vredestijd, vrijwel altijd in portretten vanaf de overkant van de Maas. Daar ligt een stadje dat het oog van de kunstenaar treft. Later, in de twintigste eeuw, als de vesting is verdwenen, trekken de kunstenaars Grave in en leggen daar, in de oude straatjes, alles vast wat zij pittoresk genoeg vinden om het te vereeuwigen op doek of hout.
Voor deze laatste invalshoek is onze fotograaf de kunstenaars nagelopen en heeft hij vanaf de plaats waar de kunstenaar stond of zat op foto gezet wat daar nu te zien is. Voor 3 euro is er een bijbehorend geïllustreerd boekje te koop waarmee je zelf alle pittoreske plaatsen van toen kunt bezoeken, hetzij te voet, hetzij thuis in je eigen stoel.

Vind je dit interessant? Lees dan ook:
- Bob Janssen, kunstschilder 
- Graafs Arsenaal

maandag 22 april 2013

Van drukwerk naar weekblad: Van Lindert in Cuijk


...een circulaire uit de begintijd...
Het BHIC in Grave zit nu vijf jaar aan de Arnoud van Gelderweg 73 in Grave. In het kader van het lustrum verzorgt Leny van Lieshout drie maanden iedere maandag een blog over bijzondere archiefstukken. Vandaag deel tien. 


Zoals Grave vanaf het eind van de 18de tot en met de 20ste eeuw zijn eigen drukkerij, uitgeverij en boekhandel heeft gehad in het familiebedrijf Van Dieren/Verhaak, zo heeft Cuijk een drukkerij, uitgeverij en boekhandel gehad in het familiebedrijf Van Lindert. De start van dit laatste bedrijf kon tot nu toe niet worden gedocumenteerd. Vanaf 1851 zijn er advertenties bekend van een boekhandel/drukkerij Van Lindert, maar de Cuijkse gemeenteverslagen spreken lang enkel van één, en daarna twee boekbinderijen. 

Toch gaf de firma ook toen al boeken en brochures uit onder eigen naam. Stichter van het bedrijf was Jan van Lindert (1824-1903). Zijn zoon Jos (1862-1942) bracht het onder de handelsnaam J.J. van Lindert tot nieuwe bloei; het gemeenteverslag over 1882 signaleert de komst, kennelijk na een periode van inactiviteit, van een drukkerij-uitgeverij-binderij. Daarnaast leverde de firma allerlei soorten van boeken, schrijf- en papierwaren, registers en ander drukwerk. 

Jos beperkte zich niet tot de toen gebruikelijke uitgaven van kerkelijke en stichtelijke aard. Hij begon meteen met een regionaal weekblad: De Echo van het Land van Cuyk (gecombineerd met enkele kopbladen) dat het uithield tot in 1944 en in 1947 werd hervat als De Echo (in 1975 overgenomen door uitgeverij Janssen in Gennep). Daarnaast gaf hij onder meer Het S. Josephsblad uit (1896-1941), een gezinsblad, Het communieklokje (1899-1922) en Ons weekblaadje voor de katholieke jeugd (1905-1917). In 1982 werd nog vol trots het 100-jarig bestaan gevierd, maar inmiddels bestaat het bedrijf niet meer. 

Vind je dit interessant? Lees dan ook:

maandag 15 april 2013

Bruggen slaan in Grave

...Veer met Maasbrug bij Gelderse oever...

Het BHIC in Grave zit nu vijf jaar aan de Arnoud van Gelderweg 73 in Grave. In het kader van het lustrum verzorgt Leny van Lieshout drie maanden iedere maandag een blog over bijzondere archiefstukken. Vandaag deel negen. 

In 1929 kwam er een vaste verbinding tot stand in de vorm van een brug tussen de oevers van de Maas bij Grave respectievelijk Nederasselt. Alle eeuwen daarvoor had het verkeer zich moeten behelpen met een veer dat een eindje stroomopwaarts tussen de Maas- of Veerpoort in Grave en de andere oever voer. Dat veer wordt al gedocumenteerd in 1381. 

Het was en bleef steeds in particuliere handen. De eigenaren anno 1929 waren uiteraard niet blij met de brug, temeer daar de rijksoverheid van geen schadevergoeding wilde weten. De procedures daarover liepen op niets uit. In tijden van oorlog was een veer natuurlijk kwetsbaar en schoot het bovendien in capaciteit tekort. Er werden dan tijdelijke schipbruggen gelegd, boten dwars op de rivier met planken erop, vroege versies van de jaarlijkse pontonbrug over de Maas bij Cuijk ter gelegenheid van de Vierdaagse. Scheepvaart was er in oorlogstijd niet of nauwelijks, maar onder normale omstandigheden des te meer. Een brug van voldoende hoogte was en is bij toenemend verkeer dan de enige oplossing. 

Uit archivalia in Brussel (Algemeen Rijksarchief) en Grave (archief van het veer; stadsarchief Grave) blijkt dat zo’n Graafse brug tenminste één keer, en wel heel vroeg, serieus in discussie is geweest. In 1545 bepaalde keizer Karel V als heer van Grave alvast de tarieven voor een te maken houten brug bij Grave: zoveel voor een kar, zoveel voor een os, zoveel per persoon. Het kwam er niet van, maar het moet niettemin als haalbaar zijn beoordeeld: de Maas zal toen minder breed zijn geweest dan nu. 

Vind je dit interessant? Lees dan ook:

maandag 8 april 2013

'Vestig u in Grave!'

...voorkant van het boekje...
Het BHIC in Grave zit nu vijf jaar aan de Arnoud van Gelderweg 73 in Grave. In het kader van het lustrum verzorgt Leny van Lieshout drie maanden iedere maandag een blog over bijzondere archiefstukken. Vandaag deel acht.

Grave zet sterk in op toerisme. Niet alleen nu, maar al veel eerder. In 1935 besloot burgemeester Louis Ficq dat er een soort gids moest komen voor gezelschappen die Grave aandeden.

Ficq had er een goede kandidaat voor: frater Theodardus Roelofs uit Oss, een kenner van de geschiedenis van de streek. Die was graag bereid om mee te werken. Eind april 1936 produceerde hij het resultaat in de vorm van een manuscript dat in het BHIC te Grave bewaard is gebleven.

Het verscheen eerst in afleveringen in de Graafsche Courant (1937) en in 1938 ook als afzonderlijke uitgave bij de weduwe A. Verhaak, uitgeefster van de Graafsche Courant, als: Geschiedenis van Grave door Fr. M. Theod. Roelofs. Met toevoeging van volledige gegevens en aanwijzingen over de nog bestaande merkwaardigheden in de stad Grave. Het had diverse illustraties in de vorm van foto’s en foto’s van gravures en een groot aantal advertenties van Graafse ondernemingen. De gemeente adverteerde achterop: ‘Vestig u in Grave. Inlichtingen betr. bouwgrond enz. te richten aan Gemeente – bestuur – tel. 15’.

...achterkant...
De tekst biedt naast die van het manuscript nog twee ongenummerde hoofdstukjes: ‘Grave opnieuw garnizoensstad’ en ‘Een wandeling door de oude vestingstad Grave’. De 19de-eeuwse geschiedenis van Grave van Petrus Hendricx was voor het Grave van voor 1850 zeer duidelijk de directe bron. De nazi die Ficq als burgemeester was opgevolgd toen die door de Duitsers was weggevoerd, ondernam in 1944 nog een vergeefse poging om tot een tweede druk te komen ‘voor na de oorlog’.

Vind je dit interessant? Lees dan ook:
- Schrijver uit Boxmeer vertrekt met noorderzon
- Vestingstad Grave

maandag 1 april 2013

Held of schurk: Jan Wap

...het boek van Jan Wap...
Het BHIC in Grave zit nu vijf jaar aan de Arnoud van Gelderweg 73 in Grave. In het kader van het lustrum verzorgt Leny van Lieshout drie maanden iedere maandag een blog over bijzondere archiefstukken. Vandaag deel zeven.

Eeuwenoude oorkondes uit Grave werden geïnventariseerd en beschreven door Jan Wap. "Doctor Wap" staat er dan ook bij deze zogeheten charters vermeld. Maar steeds vaker rijst de vraag of dat Wap wel dit werk heeft verzet of dat het eigenlijk het werk was van pater Hermans...

Er zijn vier hoofdrolspelers in dit stuk: de literator Jan J.F. Wap, de Graafse patriciërs Petrus Hermans en Petrus Walter en Hermans’ broer pater Bonaventura Hermans o.cist., trappist in de abdij van Westmalle. Alle vier hadden ze te maken met Graafse charters: Wap beschreef ze, P. Hermans en Walter verzamelden ze, en B. Hermans bekeek ze. De Hermansen worden uitbundig bedankt in het werk dat Jan Wap in 1858 in Utrecht liet verschijnen, Geschiedenis van het land en der Heeren van Cuyk (inmiddels integraal te vinden op Google books).

...Aan Cuyk verwante geslachten...
Het was de handelseditie, zoals dat tegenwoordig heet, van zijn antwoord op een door het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant in 1854 uitgeschreven prijsvraag over hetzelfde onderwerp. Wap was doctor, in de wijsbegeerte, en dat wilde hij weten ook: alle door hem geïnventariseerde charters hebben een klein etiketje met daarop in fors gedrukte letters: Doctor Wap. Het valt in hem zeer te prijzen dat hij die charters ook heeft benut, in zijn boek, maar dat dan alleen als zijn boek ook echt zijn pennevrucht was.

En dat wordt sterk betwijfeld: niet Wap, maar pater Hermans zou de auteur zijn geweest. Als dat zo is, dan heeft Hermans zijn lot met waarlijk kloosterlijke zelfopoffering gedragen: hij heeft er nergens iets over vastgelegd. Wap, van zijn kant, doneerde in 1876 een exemplaar van de inzending op de prijsvraag in bijbehorende houten kist aan de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, als onderdeel van een grote schenking die de herinnering aan zijn prestaties voor het nageslacht moest bewaren.

...illustratie van de Burg van Grave...
Vind je dit interessant? Lees dan ook:
- Een zeergeleerde zeereerwaarde
- Schrijver uit Boxmeer vertrekt met de noorderzon

maandag 25 maart 2013

Schrijver uit Boxmeer vertrekt met noorderzon


...het handschrift van Duljé...
Het BHIC in Grave zit nu vijf jaar aan de Arnoud van Gelderweg 73 in Grave. In het kader van het lustrum verzorgt Leny van Lieshout drie maanden iedere maandag een blog over bijzondere archiefstukken. Vandaag deel zes.

In 1852 verscheen bij T.G. Noman in Gennep een boek, getiteld Geschied- en aardrijkskundige bijzonderheden van de voormalige heerlijkheid Boxmeer met St. Anthonis en het halfheerige Sambeek, benevens van de meeste plaatsen in het Land van Kuik, geschreven door C.R. Duljé. 

Heeft de auteur het zelf nog gezien? Sinds de zomer van 1851 was hij spoorloos. Zijn gezin reisde hem in 1855 na, eveneens adres onbekend. Heel Boxmeer, hun vorige woonplaats, tastte in het duister en dat is tot voor kort zo gebleven. 

In 2012 bleek dankzij het internet dat de Duljés, precies zoals de volksmond altijd beweerd heeft, zijn geëmigreerd naar de Verenigde Staten. Daar leven nog nakomelingen, zij het zonder accent op de e. De latere mevrouw Duljé trouwde hem zeer tegen de zin van haar ouders, die in hem een charlatan zagen. Aan zijn beroep kon dat niet liggen. Hij was gediplomeerd leraar wiskunde, gaf ook les in andere vakken en toonde zich daarbij een uiterst competent docent. Zijn boekje over Boxmeer is verdienstelijk. 

Maar hij was wel van dubieuze komaf, wat hij verdoezelde door zijn eigenlijke naam, Rawel, met die van Duljé te verbinden (uiteindelijk hield hij enkel Duljé over) en door in en rond Boxmeer jarenlang een grote staat te voeren. Latere verhalen willen dat hij zijn omgeving op grote schaal heeft opgelicht. Al bij al werd hij in de Boxmeerse overlevering een soort baron van Münchausen. Een door hem gebruikte 16de-eeuwse verzameling privileges en keuren van de stad Grave kwam naderhand via allerlei omwegen terecht in het Graafse stadsarchief.  
...een blik in het boek van Duljé...


Vind je dit interessant?
Lees dan ook de andere blogs van Leny van Lieshout
Of dit verhaal over Antoon Coolen

maandag 18 maart 2013

Grave, graven en begraven



...graven in Grave...
Het BHIC in Grave zit nu vijf jaar aan de Arnoud van Gelderweg 73 in Grave. In het kader van het lustrum verzorgt Leny van Lieshout drie maanden iedere maandag een blog over bijzondere archiefstukken. Vandaag deel vijf.

In het BHIC in Grave wordt een enorme plattegrond van de Sint-Elisabethkerk bewaard. Hij dateert uit 1765 en is gemaakt door stadsschoolmeester Roelof Kraals. 

Alle bouwkundige elementen van de kerk voor zo ver op de grond, alle banken en alle zerken in de vloer zijn er nauwkeurig op aangegeven.  Er hoort een register bij, bewaard in het BHIC ’s-Hertogenbosch, waarin Kraals alle in zijn tijd nog te onderscheiden zerken, 140 stuks, heeft beschreven. Echt nauwkeurig heeft hij dat niet gedaan: hij noteert enkel de namen, maakt leesfouten en telfouten. Maar zijn plattegrond is uniek omdat hij een kerk in vol bedrijf laat zien. 

Elke pilaar wordt vermeld, elke zerk ingetekend. Bovendien tekent hij plaats en bovenaanzicht van de tombe van hertog Arnoud van Gelre en zijn broer Willem, een tombe die kort na 1794 verloren is gegaan. Kraals’ register maakt ook duidelijk dat er in Grave na het beleg van 1602, toen de protestanten aan de macht kwamen, geen ‘gravenstorm’ heeft plaatsgevonden, net zo min overigens als er in Grave een beeldenstorm is geweest. Van diverse 16de-eeuwse Graafse kanunniken, onder wie Simon Creeft, is de  zerk gewoon blijven liggen. 

Maar in een ander opzicht is er wel degelijk sprake van een ‘gravenstorm’. Zerken die in het ongerede waren geraakt, oud of minder oud, werden zonder problemen hergebruikt in de woningbouw. In het huis Rogstraat 47 is in 2010 bijvoorbeeld een flink fragment teruggevonden van zerk nr. 60 uit het register van Kraals; een deel van een andere zerk kwam terecht in Escharen en berust nu in het Graafs museum. 

Vind je dit interessant? Bekijk dan ook:
- andere blogs van Leny van Lieshout
- het verhaal over het oudste kerkhof 

maandag 11 maart 2013

Hoe eeuwig is eeuwig?





Het BHIC in Grave zit nu vijf jaar aan de Arnoud van Gelderweg 73 in Grave. In het kader van het lustrum verzorgt Leny van Lieshout drie maanden iedere maandag een blog over bijzondere archiefstukken. Vandaag deel vier.


Dankzij een Graafsche Courant uit 1895 is een Graafsche Courant van 23 mei 1798 bewaard gebleven met daarin een uitvoerig verslag van de manier waarop in Grave het aannemen van de Bataafse Staatsregeling (in wezen de eerste Nederlandse grondwet) is gevierd. Het was een onvergetelijk feest, gevierd op zaterdag 19 mei 1798 op het ‘plein der vrijheid’ (de Markt) onder overweldigende belangstelling. 

Kosten noch moeite waren gespaard. Een grote optocht bracht een wagen met daarop een vrijheidsboom naar de Markt. Voor de wagen liepen 16 ‘Vaderlandsche zangeressen’ met in de ene hand een ‘Bataafsche Zang’ en in de andere een bloemtak; voor hen uit een vlag met daarop de spreuk ‘Hij zal ons steeds aan dezen dag doen gedenken’. Onder algemene geestdrift werd de boom geplant, waarbij de zangeressen uitbarstten in hun ‘Bataafsche zang’. 

Klokgelui, kanongebulder, illuminaties en ander vermaak zorgden tot laat in de avond voor een uitgelaten stemming. De complete ‘Bataafsche Zang’, gedicht door H.J. Giebe op de muziek van de Marseillaise, werd in de Graafsche Courant van een week later (in 1895) aan de vergetelheid ontrukt. In het Oud Archief van Grave is deze ‘Bataafsche Zang’ in het door Adriaan van Dieren gedrukte origineel bewaard gebleven (hier getoond). Met een ontnuchterend effect: waar Giebe dicht dat de boom diende ‘om gryzen eeuwen te verduuren’ is met de pen toegevoegd: ‘tot 14 mei 1811’.

Wil je meer weten over deze tijd? Lees dan het verhaal over Marcelus van Aar.
Of benieuwd naar meer verhalen van Leny van Lieshout? Klik dan hier.

maandag 4 maart 2013

Ambities van een Graafse uitgever

...een kijkje in een zeldzaam boek...
Het BHIC in Grave zit nu vijf jaar aan de Arnoud van Gelderweg 73 in Grave. In het kader van het lustrum verzorgt Leny van Lieshout drie maanden iedere maandag een blog over bijzondere archiefstukken. Vandaag deel vier.

In de tweede helft van 1795 nam Adriaan van Dieren, pas 22 jaar oud, de uitgeverij en drukkerij van Jan Alexander Krieger te Grave over, compleet met diens kersverse Graafsche Courant. 

Krieger begon een politieke carrière, Van Dieren begon een familiebedrijf waaraan pas zeer recent, in 2012, een einde is gekomen. (De Graafsche Courant stopte in 1798, begon opnieuw in 1852 en bestaat nog steeds). Wanneer in 1810 van bovenaf wordt geïnformeerd hoe het zit met die Van Dieren antwoordt het Graafse stadsbestuur  geruststellend (in vertaling, de voertaal was toen Frans): “De enige boekhandelaar/drukker hier drukt enkel voor de autoriteiten, lagere scholen en de handel en verkoopt alleen maar schoolboekjes”

Van Dieren was echter zeer ambitieus van start gegaan. Het BHIC Grave bezit een uitermate zeldzaam boek (het enige andere bekende exemplaar berust in Leiden), getiteld Eerste proeven van het genootschap, ter bevordering van waaren godsdienst, deugd, kunst en wetenschap. Het boek, met als drukkersnaam die van Van Dieren, bestaat uit een aantal kennelijk afzonderlijk gedrukte maar vervolgens gebundelde beschouwingen door allerlei personen. 

Van Dieren trad op als uitgever en centraal adres: prospectussen onder zijn naam worden bewaard tot in de Parijse Bibliothèque Nationale. Adriaan van der Willigen (die ook de prospectus bezat) noemt hem uitdrukkelijk als uitgever in zijn recent door Lia van der Heijden en Jan Sanders uitgegeven levensverhaal. Hoe Van Dieren aanjager werd van dat genootschap en vooral waarom hij ermee stopte om als onbeduidend plaatselijk drukkertje verder te gaan: we weten het (nog) niet. Of we er ooit achter komen, weten we trouwens evenmin.

Meer lezen over Grave en de Graafsche Courant? Lees dan het verhaal over J. G. Le Sage Ten Broek.
Of lees de overige bijdragen van Leny van Lieshout.

maandag 25 februari 2013

De prijs is het bewijs

...prijsboek Grave (met wapen)...


Het BHIC in Grave zit nu vijf jaar aan de Arnoud van Gelderweg 73 in Grave. In het kader van het lustrum verzorgt Leny van Lieshout drie maanden iedere maandag een blog over bijzondere archiefstukken. Vandaag deel drie.

Overal op de Latijnse scholen van vroeger, ons tegenwoordige VWO, werd onderlinge competitie aangemoedigd. Wie in enig jaar de beste was van zijn klas (meisjes zaten er nooit in) werd beloond door de plaatselijke overheid of door een kerkelijke dignitaris. De leerlingen in kwestie kregen altijd hetzelfde soort geschenk: een (studie)boek, in het Latijn of zelfs Grieks, soms in het Nederlands, en keurig in perkament of leer gebonden. In veel gevallen stond voorin een omschrijving van de prestaties met gegevens over naam en klas. Iedere stad van enige naam liet op voor- en vaak ook achterkant in reliëf het stadswapen stempelen. 

De classicus Jan Spoelder promoveerde in 2000 op dit soort ‘prijsboeken’. Hij vermeldt ook Grave, en dat is bijzonder, want Grave had maar een zeer kleine Latijnse school. In de bijlagen bij de stadsrekeningen,  hier in het BHIC bewaard, zijn enkele rekeningen van prijsboeken te vinden, soms met de namen van de winnaars erbij. Op een rekening uit 1658 staat zelfs de aankoop van het stadsstempel vermeld. Er zijn ook oudere rekeningen en die boeken waren kennelijk dus nog niet gestempeld. 

Helemaal bijzonder is dat er van de weinige herkenbare Graafse prijsboeken maar liefst twee, allebei in het Latijn, bewaard zijn gebleven. Op de tentoonstelling in Grave zijn de werken van de dichter Plautus uit 1619 (boeken verouderden destijds niet zo snel als nu!) te zien. Het andere exemplaar, met de werken van Seneca, is te zien in het Graafs Museum.

Meer weten over de Latijnse School? Hier vind je meer over deze school in Ravenstein
Wil je meer blogs lezen van Leny? Kijk dan hier.

maandag 18 februari 2013

Bastaard sluipt in adellijk wapen




Het BHIC in Grave zit nu vijf jaar aan de Arnoud van Gelderweg 73 in Grave. In het kader van het lustrum verzorgt Leny van Lieshout drie maanden iedere maandag een blog over bijzondere archiefstukken. Vandaag deel twee.

Op de hoek van de Markt en de Scheerestraat in Grave staat het huis De Grenadier. In 1653 woonde er Roelof van Steenhuijs. Aan de buitenkant van zijn huis had hij een wapen hangen van de familie Van Steenhuijs, hetzelfde als dat van de adellijke tak, de Van Steenhuijzen heren van Oploo: een rode ring met daarboven een rode keper. 

Op 18 januari 1653 liet een jonker uit die tak het wapen voorzien van een ijzeren balkje: Roeloff zou uit een bastaardtak zijn en zou dus een balk (het ijzeren plaatje) in zijn wapen moeten voeren. Er zijn in het archief Walter-Malingrez in het BHIC stukken bewaard gebleven van procedures, die over deze kwestie hebben gewoed. 

Het bijzondere is, dat Roeloff en zijn directe familie ten behoeve van die procedures vier prachtige heraldische tekeningen hebben laten maken van ruitjes met gebrandschilderde wapens in twee Graafse huizen (in de Maasstraat en de Gasthuisstraat) en in het adellijk huis in Oploo. In het archief zijn die tekeningen bewaard, evenals enkele verklaringen van getuigen die zeiden dat de familie waaruit Roelof voortkwam bestond uit louter nette, zelfs gezeten mensen en dat hij wel degelijk aan de goede kant van het bed was geboren. Of dat waar was en hoe het afliep, weten we niet. De genealogie Van Steenhuijs is een labyrint waaruit tot nu toe niemand de uitgang heeft gevonden.

Illustraties: de vier heraldische tekeningen van ruitjes met gebrandschilderde wapens

Meer lezen over heraldiek? Lees dan dit ook: Genealogie als opdracht
Of interesse in de andere blogs van Leny van Lieshout? Kijk dan naar: Wil de echte Jan van Cuijk nu opstaan?

maandag 11 februari 2013

Wil de echte Jan van Cuijk nu opstaan?



Het BHIC in Grave zit nu vijf jaar aan de Arnoud van Gelderweg 73 in Grave. In het kader van het lustrum verzorgt Leny van Lieshout drie maanden iedere maandag een blog over bijzondere archiefstukken. Vandaag deel één.


Jan I (hij stierf in 1308) is ongetwijfeld de bekendste van alle heren van de stad Grave en het Land van Cuijk uit het geslacht van Cuijk (Kuyc).  En zeker ook de vrijgevigste: hij heeft zijn onderdanen onder meer een forse schenking gedaan in de vorm van de helft van het gebruiksrecht van de woeste grond in de regio. Het Graafse gasthuis, door hemzelf gesticht, kreeg de andere helft. 

In 1854 presenteerde een van de regenten van het gasthuis aan zijn collega’s een gipsen beeld van Jan I. Het kwam in een gestukadoorde nis in de regentenkamer te staan met een gedenkplaat eronder. Daar staat het nog steeds. De Stichting die het erfgoed beheert van het gasthuis heeft nog een ander beeld dat alleen wat de beschildering betreft van het eerste verschilt; verder is het identiek. 

Ook het stenen beeld van Jan I in het dorp Cuijk (gemaakt in 1865 voor de voorgevel van het gemeentehuis en inmiddels vervangen door een bronzen beeld) ziet er, afgezien van de grootte, vrijwel precies hetzelfde uit. Er is dus maar één Jan I in diverse gedaanten. Het oorspronkelijke gipsen beeld zou gemaakt kunnen zijn in de fabriek van Antonius Franciscus Jaspers (1816-1897) in Cuijk; het ligt immers niet voor de hand dat er elders in het land veel behoefte zou zijn om een Jan I te maken. Jaspers’ bedrijf is het enige dat voor deze periode onder Cuijk  wordt genoemd door de makers van de ter zake kundige website vriendenvandekerstgroep.nl. Vanaf 1852 wordt er in de Cuijkse gemeenteverslagen een ‘fabriek van Kerkornamenten, verbonden met eene hout- en beeldsnijderij’ genoemd die van hem lijkt te zijn.  

Wil je meer weten over de herkomst van de heren van Cuijk? Lees dan hier meer